Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk I

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2025

I.3.1 Het morele karakter en deugden van werkers in de gezondheidszorg

W.J. Eijk

De vorming van het karakter van menselijk persoon komt overeen met het ontwikkelen van een christelijke spiritualiteit. Spiritualiteit in christelijk zin verwijst niet naar vage gevoelens van allerlei aard of rituelen, maar heeft een heel concrete betekenis, die samenhangt met het Latijnse woord ‘spiritus’, dat ‘geest’ betekent. Spiritualiteit verwijst naar de menselijke geest: het is de innerlijke houding of de geest van de mens waaruit zijn handelingen voortvloeien. Het woord verwijst ook naar de Heilige Geest, de ‘Spiritus Sanctus’. Christelijke spiritualiteit omvat tevens de menselijke geest die naar de Heilige Geest luistert en zich door Hem laat leiden, zodat hij een op Christus gecentreerd leven kan leiden en via Hem op de Drie-Eenheid. Christelijke spiritualiteit omvat zowel het natuurlijk leven van de mens als zijn bovennatuurlijk leven, zijn leven in genade dat wil zeggen zijn participatie in het goddelijk leven [1J. Aumann. Spiritual Theology. 5e ed, London: Sheed and Ward; 1988, p. 13–14.].

De huidige seculiere ethiek heeft nauwelijks oog voor de handelende persoon als zodanig. Boven zagen we hoe de hedendaagse seculiere ethiek zich vooral focust op het nemen van medische besluiten of oplossen van medische dilemma’s aan de hand van een viertal abstracte principes: autonomie, weldoen, geen-kwaad-berokkenen en rechtvaardigheid. Christelijke ethiek neemt geen abstracte principes en ook geen geboden of verplichtingen als uitgangspunt, maar de concrete menselijke persoon: wat of beter wie is de menselijke persoon? Het persoonsbegrip is vooral ontwikkeld door de christelijke theologie en filosofie in de eerste eeuwen van het christendom. Dit gebeurde in het kader van christologische vraagstukken, zoals rond het dogma, vastgesteld door het Concilie van Chalcedon in 451, dat Christus één persoon is met twee naturen [2H.J. Denzinger and P. Hünermann. Enchiridion Symbolorum, Definitionum et declarationum de rebus fidei et morum 43rd ed, San Francisco: Ignatius Press; 2012, DH 301–303.]. Tevens speelden daarbij een belangrijke rol de discussies over de Drie-Eenheid, namelijk dat er één God is in drie Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zoals dat in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel is vastgelegd (in eerste aanzet tijdens het Eerste Oecumenisch Concilie van Nicea in 325 [3H.J. Denzinger and P. Hünermann. Enchiridion Symbolorum, Definitionum et declarationum de rebus fidei et morum 43rd ed, San Francisco: Ignatius Press; 2012, DH 125–126.] en in definitieve vorm door het Oecumenische Concilie van Constantinopel in 381 [4H.J. Denzinger and P. Hünermann. Enchiridion Symbolorum, Definitionum et declarationum de rebus fidei et morum 43rd ed, San Francisco: Ignatius Press; 2012, DH 150.]. De christelijke filosoof Boëthius (circa 480-525) stelde als eerste een definitie van de menselijke persoon op, die hij aan de mensvisie van Aristoteles ontleende. De menselijke persoon omschreef hij als ‘rationalis naturae individua substantia’, dat wil zeggen een individuele substantie met een rationele natuur [5Boëthius. De duabus naturis: Contra Eutychen et Nestorium. In: Stewart HF, Rand EK, editors. Boethius, Tractates, De consolatione philosophiae, Cambridge/London: Harvard University Press/William Heinemann; 1968, 72–127, III, 4–5, 84.]. Uit deze omschrijving van de menselijke persoon kunnen we afleiden hoe hij moet zijn. De nadruk ligt niet op de eerste plaats op het handelen, maar op het zijn van de menselijke persoon. Hoe de persoon is en concreter hoe zijn morele karakter en innerlijke houding zijn, is bepalend voor de wijze waarop hij handelt en fundamentele principes op zijn handelen toepast. Zoals gezegd vormen de deugden het morele karakter van de persoon.

Er zijn verschillende soorten deugden, die overigens onderling nauw met elkaar samenhangen en elkaar ook veronderstellen. Op de eerste plaats onderscheidt men de verworven, menselijke of natuurlijke deugden. Deze deugden ontwikkelt de mens door het bij herhaling verrichten van de bijbehorende moreel goede handelingen. Dit kan in het begin moeilijk zijn. Na verloop van tijd echter zal het leven volgens waarden en normen tot gevolg hebben dat het respect ervoor mensen steeds beter afgaat. Een deugd stelt de mens in staat om een goede handeling spontaan, gemakkelijker en met innerlijke instemming en overgave te verrichten (prompte, faciliter et delectabiliter; deze trias is afgeleid uit diverse teksten van Thomas van Aquino. [6Thomas Aquinas. Summa Theologiae. I–II, 107, 4c.] [7Thomas Aquinas. Summa contra Gentiles. III, 128; 150.]. ‘De menselijke deugden’, zo zegt de Catechismus van de Katholieke Kerk [8Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum/Halewijn; 2023, no. 1834.], ‘zijn stabiele gesteltenissen van het verstand en de wil die onze daden regelen, onze hartstochten ordenen en ons gedrag leiden volgens rede en geloof’. Het herhaald verrichten van handelingen die moed vergen, kan in het begin met de nodige vrees en onzekerheid gepaard gaan, maar na verloop van tijd betrokkene doen uitgroeien tot een moedig mens, die beschikt over het nodige zelfvertrouwen zonder vermetel te worden. Er groeit een innerlijke instemming met de desbetreffende waarden en normen en men gaat als het ware spontaan ernaar leven. Het omgekeerde kan ook gebeuren: ondeugden maken dat iemand geneigd is om gemakkelijk en spontaan een moreel verkeerde handeling te verrichten. Zo kan indiscreet optreden bij herhaling leiden tot indiscreet gedrag in het algemeen.

image_pdfimage_print