3.1.1 De kardinale deugden
De deugdenethiek heeft lang in een kwade reuk gestaan, omdat zij door verlichtingsfilosofen in de 18e en 19e eeuw is misbruikt voor het promoten van burgermansdeugden. De deugdenethiek onderging een opleving in de 1e helft van de 20e eeuw, toen thomistische moraaltheologen haar weer gingen toepassen in hun handboeken, en in de laatste decennia door het boek After Virtue van de Engelse filosoof Alasdair MacIntyre [: A. MacIntyre. After Virtue. A study in Moral Theory. Notre Dame, Indiana: Notre Dame University Press; 2007.]. Bij deugden wordt hier gedacht aan de kardinale deugden zoals die zijn beschreven door de filosofen uit de Antieke Oudheid, met name Plato (± 428/427-347 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.): prudentie, sterkte, matigheid en rechtvaardigheid. Deze worden ook aanbevolen in de Heilige Schrift (Wijsheid 8,7; 2 Petr. 1,5-7).
3.1.1.1 De prudentie
Prudentie, een deugd van de rede, stelt ons in staat om te zien welk middel (medische behandeling) geproportioneerd is aan het doel (genezing). Zij is een innerlijke gesteldheid waardoor men als het ware spontaan het antwoord ziet op de vraag of de neveneffecten, de kans op complicaties, de kosten en de inzet van personeel opwegen tegen de kans op herstel. De verworven deugden helpen om bij het toepassen van principes het juiste midden te vinden. De prudentie geeft het juiste midden aan tussen besluiteloosheid en impulsiviteit bij het nemen van beslissingen.
Jezus beveelt zijn volgelingen met nadruk aan prudent te zijn: ‘Weest dus omzichtig als slangen …’ (Mt. 10,16; vgl. Luk. 14,28-32). Binnen de vier kardinale deugden neemt de prudentie (praktische wijsheid of verstandigheid) de centrale plaats in. Zonder prudentie is er geen sterkte, matigheid en rechtvaardigheid (omgekeerd trouwens ook niet). Een mens kan pas moedig zijn als hij het midden ziet tussen lafheid en overmoed en het is de prudentie die dit laat zien. De prudentie valt daarom te kwalificeren als de wagenmenner van de deugden (‘auriga virtutum’) [: Thomas Aquinas. Scriptum super Sententiis. liber 2, distinctio 41, quaestio. 1, articulus. 1, argumentum. 3; liber 4, distinctio. 17, quaestio. 2, articulus. 2, quaestiuncula 4 corpus.].
Zij is ook voor medewerkers in de gezondheidszorg de centrale deugd. Prudentie is nodig om onder de gegeven omstandigheden spontaan te kunnen inzien welke behandeling en welke diagnostiek geproportioneerd is aan het doel, levensbehoud of herstel van de gezondheid, gelet op de kans op bijwerkingen, complicaties, kosten en inzet van personeel. Prudentie helpt ook om in te zien wanneer medisch-technisch ingrijpen (cure) geen zin meer heeft en moet worden overgegaan op palliatieve zorg. Door prudentie kan een arts zich hoeden voor te grote terughoudendheid en voor overbehandeling, met andere woorden kan hij maat houden. Prudente medewerkers weten de nodige discretie (onderdeel van de deugd van de rechtvaardigheid die betrekking heeft op het respect voor het recht op de waarheid) aan de dag te leggen om zorgvuldig met de gegevens om te gaan van patiënten die aan hun zorgen zijn toevertrouwd. Ook stelt prudentie in staat om de patiënt zowel rekening houdend met zijn recht om te weten wat er met hem aan de hand, als met zijn incasseringsvermogen, wanneer hij die met slecht nieuws moet confronteren.
De prudentie stelt medewerkers in de gezondheidszorg tot dit alles onder de reële omstandigheden, die heel gevarieerd en ingewikkeld kunnen zijn [: J. Pieper. The four cardinal virtues. Notre Dame: Notre Dame Press; 1966.]. Het is belangrijk zich te realiseren dat de prudentie een deugd is die zich bevindt op het grensvlak tussen intellectuele en morele deugden. Prudentie ontwikkelt zich alleen als de mens zich willens en wetens erop toelegt om de gezondheidszorg gewetensvol te beoefenen. Het is geen wetenschappelijke kennis van geneeskunde, verpleegkunde, biomedische disciplines of statistieken. Het is ook geen besliskunde. Deze wetenschappen geven aan hoe iets wetenschappelijk-technisch goed, efficiënt en adequaat kan worden gedaan, kort gezegd: hoe produceer ik een effect? Deze kennis kan echter ook efficiënt worden gebruikt om ethisch verwerpelijke doeleinden te realiseren. Ongetwijfeld heeft medisch-technische kennis een bijdrage te leveren aan de vorming van de prudentie. Het gaat bij de prudentie echter om iets wezenlijks anders, namelijk om de vraag: hoe handel ik moreel goed? De prudentie betreft niet alleen de efficiëntie van een handeling, maar ook de essentie van de handeling: is de handeling, ook al is die nog zo efficiënt, op zichzelf genomen goed of verkeerd? Een handeling waarbij de menselijke biologische natuur wordt geïnstrumentaliseerd, bijvoorbeeld door genmodificatie met als doel overigens gezonde mensen te perfectioneren, kan vanuit wetenschappelijk-technisch gezichtspunt goed zijn uitgevoerd, maar is daarmee nog niet moreel goed. Vanuit wetenschappelijk-technisch oogpunt staat niet de handeling op zich centraal, maar is van belang of het beoogde effect tot stand komt: leidt genmodificatie tot de beoogde excellente eigenschappen op het vlak van de intelligentie, musculatuur en muzikale talenten? Vanuit moreel oogpunt staat centraal dat de handeling op zich goed is: is het perfectioneren van de mens door genmodificatie op zich aanvaardbaar? De prudentie betreft de ‘recta ratio agibilium,’ wetenschappelijk-technische kennis (‘ars’ in het Latijn) daarentegen de ‘recto ratio factibilium,’ aldus Thomas van Aquino in navolging van Aristoteles [: Thomas Aquinas. Summa Theologiae. II–II, 47, 5 & 8.] [: Aristoteles. Ethica Nicomachea. In: Pannier C, Verhaeghe J, editors., Groningen: Historische Uitgeverij; 1999, liber IV, caput 4, nt. 3 (1140b).]. Kortom: de prudentie staat open voor nieuwe wetenschappelijk-technologische ontwikkelingen, maar voorkomt dat de techniek de mens beheerst.
3.1.1.2 Sterkte, matigheid en rechtvaardigheid
Sterkte en matigheid zijn deugden van lichamelijke streefvermogens. Sterkte helpt om vrees en agressieve gevoelens te proportioneren aan de feitelijke omstandigheden: een arts kan overmoedig en roekeloos zijn bij de toepassing van medische technieken of juist te terughoudend. Matigheid, gericht op de matiging van gevoelens van bevrediging en het streven naar genoegen, stelt ons in staat om gebruik te maken van voedsel en ook van de gezondheidszorg in een mate die is geproportioneerd aan het in stand houden van het leven en de gezondheid en aan de voortplanting. Zij stelt de mens tevens in staat zijn seksualiteit te integreren in zijn levensstaat. De matigheid lijkt in eerste instantie primair een deugd die de patiënt nodig heeft. Er bestaat echter in het contact tussen de medewerker in de gezondheidszorg een wisselwerking die maakt dat beide elkaar bewust of onbewust beïnvloeden. De innerlijke attitude van de medewerkers in de gezondheidszorg ten aanzien van het zorgaanbod heeft zijn afstraling op het patroon van verlangens en verwachtingen dat leeft bij de patiënt (en trouwens ook omgekeerd).
De rechtvaardigheid is een deugd van de wil, die ons in staat stelt aan iedereen te geven wat hem toekomst. Zij geeft het juiste midden aan tussen doorgeschoten altruïsme en egoïsme.

