3.1.3. De gaven van de Heilige Geest
De eerste grote gift van God is de Heilige Geest, Die de ware liefde is waarmee God zichzelf bemint en ons. De Heilige Geest is Gods eerste gift, niet alleen omdat Hij de substantiële liefde is in het innerlijk leven van de Triniteit, maar ook omdat hij door de heiligmakende genade in ons woont. Uit deze eerste gift vloeien alle andere giften van God voort [: J. Aumann. Spiritual Theology. 5e ed, London: Sheed and Ward; 1988, p. 88–97.]. De gaven van de Heilige Geest zijn worden genoemd in Jesaja 11,1-3: ‘Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï, een telg bloeit aan zijn wortel. De geest van Jahwe rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht [verstand], een geest van beleid [raad] en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor Jahwe, hij ademt ontzag voor Jawhe [vreze des Heren]’. Dit is een typisch messiaanse tekst die in directe zin op Jezus betrekking heeft. De kerkvaders hebben deze tekst echter in brede zin ook toegepast op de christengelovigen op basis van het algemene principe van de heilseconomie zoals verwoord door St. Paulus: ‘Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van Zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders’ (Rom. 8,29). De leer van de zevenvoudige gaven van de Heilige Geest vormt een onmiskenbaar element van de traditie van de Kerk en worden ook in de liturgie genoemd, bijvoorbeeld in de hymne van de vespers vanaf Hemelvaartsdag tot en met het Hoogfeest van Pinksteren, het Veni Creator Spiritus, vooral in het derde couplet: ‘Tu septiformis munere, dextrae Dei tu digitus’, of in het Nederlandse brevier: ‘Gij schenkt uw gaven zevenvoud, o hand die God ten zegen houdt …’. De zeven gaven worden bovendien genoemd bij de toediening van het Heilig Vormsel tijdens de handoplegging: ‘Almachtige God, Vader van onze Heer Jezus Christus, Gij hebt uw dienaren herboren doen worden uit het water en de Heilige Geest en bevrijd uit de macht van de zonde. Wij bidden U: zend over hen de Heilige Geest, de Trooster, schenk hun de geest van wijsheid en verstand, de geest van inzicht en sterkte, de geest van kennis, van ontzag en liefde voor uw naam. Door Christus onze Heer. Amen.’ Ook de documenten van het magisterium vermelden de gaven van de Heilige Geest. Het aantal ervan wordt van oudsher gesteld op zeven [: Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum/Halewijn; 2023, no. 1831.]:
- Verstand;
- Kennis;
- Wijsheid;
- Raad;
- Liefde;
- Kracht;
- Vreze des Heren.
De schriftuurlijke bron voor de gaven van de Heilige Geest (Jesaja 11,1-3) noemt slechts zes gaven. De vreze des Heren wordt namelijk twee keer genoemd, terwijl de liefde onvermeld blijft. De traditie van de Kerk heeft aan deze reeks van gaven van de Heilige Geest van oudsher de liefde toegevoegd. Het getal zeven drukt een zekere volheid uit, waarmee tot uitdrukking komt dat de zeven gaven elk terrein van het morele leven bestrijken.
De zeven gaven van de Heilige Geest zijn evenals de andere deugden een habitus, dat wil zeggen een constante innerlijke houding van de menselijke geest, die hem predisponeert tot moreel goed handelen. Zij stemmen met de ingestorte deugden overeen in de volgende opzichten: - Ze zijn – zoals boven is gezegd – een habitus [: Thomas Aquinas. Summa Theologiae. I–II, 68, 3.];
- De werkoorzaak ervan is God;
- Ze zijn gericht op hetzelfde subject, namelijk de menselijke vermogens.
- Onder hun object valt elke morele handeling;
- De doeloorzaak is dezelfde. Ze dragen eveneens bij aan de bovennatuurlijke volmaaktheid van de mens, die in deze wereld begint en in de toekomstige haar voltooiing vindt.
Daarnaast zijn er ook duidelijke verschillen:
- De beweegoorzaak van de goddelijke deugden is de menselijke rede of de menselijke wil, de rede verlicht door het geloof en aangezet door een actuele genade. Daarentegen werken de gaven op initiatief van de Heilige Geest, die de gave actualiseert door een direct contact [: Thomas Aquinas. Summa Theologiae. I–II, 68, 2.]. Bijgevolg kunnen we de habitus van de ingestorte deugden gebruiken wanneer we dat willen, ervan uitgaande dat er een actuele genade is. De gaven van de Heilige Geest werken slechts, wanneer de Heilige Geest zelf dat verlangt.
- Omdat de goddelijke deugden werken onder de leiding en de controle van de menselijke rede verlicht door het geloof, is hun werking beperkt tot een menselijke wijze van functioneren. De gaven die de Heilige Geest als beweegoorzaak hebben, werken daarentegen op goddelijke, bovennatuurlijke wijze. Aan de effecten van de goddelijke deugden altijd beperkingen verbonden, niet omdat deze genadegaven op zich onvoldoende zouden zijn, maar vanwege de deficiënties die van nature uit de werking van menselijke vermogens voortvloeien. Een bijkomende reden is dat de mens als gevolg van de zondeval tot het kwaad is geneigd en daardoor gebukt gaat onder ongeordende verlangens en gevoelens. Daardoor kunnen de ingestorte deugden, hoewel op zich krachtig genoeg om verleidingen te weerstaan, dit de facto niet zonder de hulp van de gaven van de Heilige Geest. Vooral bij onverwachte bekoringen, waarin de keuze voor de zonde een beslissing van het moment is, moet een persoon snel kunnen besluiten toch het goede te doen. Met name hiervoor is een bovennatuurlijke impuls, dat is een gaven van de Heilige Geest noodzakelijk.
- Bij de uitoefening van de goddelijke deugden is de mens met zijn geestelijke vermogens ten volle actief. Doordat de Heilige Geest de enige beweegoorzaak van de gaven is, zijn de menselijke vermogens hierbij receptief. Dit neemt echter de vrijheid van de mens niet weg, want hij kan de gaven van de Heilige Geest afwijzen.
De gaven van de Heilige Geest moeten niet worden verward met de buitengewone charismata, zoals de gave van profetie, ziekengenezing of het hebben van mystieke ervaringen. Zij worden gegeven samen met de heiligmakende genade en zijn noodzakelijk voor de perfectie van de deugden en voor het heil. Omdat de goddelijke deugden voor het heil noodzakelijk zijn en de gaven van de Heilige Geest hen vervolmaken, is het duidelijk dat ook de gaven heilsnoodzakelijk zijn.
De katholieke theologie brengt van oudsher de gaven van de H. Geest als volgt met de menselijke vermogens en de andere deugden in verband: verstand en kennis vervolmaken de deugd van het geloof tot volmaaktheid, terwijl de gave van raad dat doet met de prudentie. Deze drie gaven vullen de menselijke rede aan. De goddelijke deugd van de hoop wordt vervolmaakt door de vreze des Heren, de liefde door de gave van de wijsheid. Deze drie gaven hebben in dat opzicht hun focus in de wil. Daarnaast hebben enkele gaven van de Heilige Geest ook hun impact op het lichamelijk streefvermogen: de deugd van de moed wordt aangevuld door de gave van de kracht en de matigheid door de vreze des Heren [: A. Tanquerey. Synopsis theologiae moralis et pastoralis, T II. 10e ed, Parijs/Doornik/Rome Desclée; 1943, no. 613.].

