Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk III

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

III.1.2 De criteria voor de status van het embryo

W.J. Eijk

De grote verscheidenheid aan criteria maakt de bespreking van de status van het embryo tot een lastige opgave. Wanneer niet van meet af aan duidelijk is welk criterium wordt gehan-teerd, lopen discussies over de status van het embryo onherroepelijk vast. De nodige verhel-dering biedt het onderscheid tussen extrinsieke criteria, die niet aan het embryo als zodanig zijn ontleend, en intrinsieke criteria, die in het embryo zelf hun uitgangspunt hebben:

  1. In extrinsieke zin wordt de status van het embryo bepaald door:
    a) zijn acceptatie door anderen;
    b) de rechten die er door de Staat bij wet aan worden toegekend;
    c) de kans tot verdere uitgroei die het geboden wordt.
  2. De status van het embryo wordt in intrinsieke zin beoordeeld aan de hand van:
    a) zuiver biologische gegevens;
    b) vraag of het al dan niet een individu is;
    c) de vraag of het al dan niet een menselijke persoon is;
    d) zijn intrinsieke finaliteit.

Pas wanneer het criterium is vastgesteld, kunnen de verschillende waarneembare indicatoren voor de status van het embryo worden aangegeven, zoals het moment van de bevruchting, het begin van aantoonbare hersenactiviteit of het moment waarop de Staat het bij wet als subject van rechten zal erkennen. De hier opgesomde criteria sluiten elkaar niet uit. Bepaalde stromingen kunnen verschillende ervan naast elkaar toepassen. Voor een fundamentele evaluatie is een bespreking van elk criterium afzonderlijk echter onontbeerlijk.

image_pdfimage_print