1.2.2 De intrinsieke criteria
1.2.2.1 De afhankelijkheid van het lichaam van de moeder
In de zestiger en zeventiger jaren baseerden feministische groeperingen het recht op abortus provocatus op het argument dat het ongeboren kind een deel is van het lichaam van de moeder en deze daarom over diens leven zou kunnen beschikken: wij zijn baas in eigen buik.
Sinds de eerste vertaling van de Digesta in 1831 is lange tijd gedacht dat het Romeinse Recht de foetus zou zien als een deel van het moederlichaam (Ulpianus, Digesta, 25,4,1,1: ‘Partus enim antequam edatur, mulieris portio est vel viscerum’; Het kind is, voordat het gebaard wordt een deel of ingewand van de vrouw’). In de laatste tijd is de juistheid van deze interpretatie van de desbetreffende tekst aangevochten [: W. Waldstein. Ulpian and the legal position of the unborn child in Roman Law. In: Sgreccia E, Laffitte J, editors. L’embrione umano nella fase del preimipanto, aspetti scientifici e considerazioni bioethiche Supplemento al volume degli atti della XII Assemblea Generale della Pontificia Accademia per la Vita (27/28-2-2006), Cita del Vaticano: Pontificia Academia pro Vita; 2007.].
Het is een argument dat vooral binnen het kader van de discussie over de legalisering van abortus provocatus is aangevoerd. Met betrekking tot in-vitrofertilisatie, experimenten met embryo’s, preïmplantatiediagnostiek en embryoselectie speelt het uiteraard geen rol, omdat in deze situaties het embryo sowieso geen onderdeel van het moederlichaam uitmaakt. Bij de huidige stand van zaken van het biologisch onderzoek staat echter vast dat het embryo vanaf de conceptie een zelfstandig levend wezen is. Het is weliswaar afhankelijk van de moeder wat betreft voedsel en vocht, maar zijn ontwikkeling en groei als individu worden vanaf de conceptie aangestuurd door zijn eigen genoom, dat onderscheiden is van dat van de moeder. Op basis van de hedendaagse genetica kan men op geen enkele manier staande houden dat een ongeboren kind onderdeel is van het moederlichaam en de moeder daarom het recht zou hebben over diens leven te beschikken.
1.2.2.2 De biologische mensvisie: het embryo is een menselijk individu eenvoudigweg omdat het biologisch gezien een menselijk wezen is
Het echtpaar Willke baseert zijn afwijzing van abortus provocatus op het gegeven dat biologisch gezien het menselijk leven vanaf de conceptie begint. De theologie of de filosofie zouden in dit verband geen enkele dienst kunnen bewijzen, omdat er binnen beide disciplines zoveel verschillende opvattingen bestaan [: J. Willke, B. Willke. Abortion: Questions and Answers. Cincinnati: Hayes Publishing Company; 1988, 5–6.]. De biologische definitie van het begin van het menselijk leven, namelijk het moment van de conceptie, zou daaren-tegen door niemand in twijfel worden getrokken.
Hoe aantrekkelijk deze conclusie binnen pro-life-kringen ook mag klinken, zij stoot op enkele onoverkomelijke bezwaren. Hier wordt voorbijgegaan aan het feit dat veel ethici, op basis van de Identity Theory of Mind, zoals we straks zullen zien, een onderscheid maken tussen menselijke wezens en menselijke personen. Embryologische of medische gegevens kunnen op zich geen uitsluitsel geven over de status van het embryo, omdat zij binnen de diverse mensvi-sies op verschillende manier worden geïnterpreteerd. Volgens bepaalde mensvisies is het uitgesloten dat het embryo vanaf de conceptie een mens zou kunnen zijn. Bovendien tendeert de zuiver biologische definitie naar een materialistische mensopvatting, waarbinnen de mens geen intrinsieke, maar hooguit een instrumentele waarde heeft.
1.2.2.3 Het embryo als individu: het embryo wordt een individu vanaf het moment dat het zich niet meer kan splitsen in twee- of meerlingen of met andere embryo’s kan samensmelten
In 1990 werd in Engeland op aanbeveling van de Commissie Warnock een wet aangenomen die experimenten met embryo’s in vitro tot veertien dagen na de conceptie toestond [: UK Public General Acts – Human Fertilisation and Embryology Act 1990. 1990, c. 37.]. In haar in 1984 gepubliceerde rapport stelde de commissie dat het embryo, zolang het zich nog splitsen in genetisch identieke embryo’s geen individu kon zijn en bijgevolg ook geen menselijk individu [: M. Warnock. A Question of Life. The Warnock report on Human Fertilisation and Embryology. Oxford: Basil Blackwell; 1985, 59 & 66.]. Ook enkele katholieke moraaltheologen huldigden deze opvatting [: L.S. Cahill. The embryo and the fetus: new moral contexts. Theological Studies 1993, 54, 124–142, 127–130.] [: N.M. Ford. When did I begin? , Cambridge: Cambridge University Press; 1988.] [: T.A. Shannon, A.B. Wolter. Reflections on the moral status of the pre-embryo. Theological Studies 1990, 51, 608–614.]. Häring schreef: ‘Het grootste bezwaar tegen de theorie van de bezieling op het moment van de bevruchting is het fenomeen van de eeneiige tweelingen’ [: B. Häring. Medical Ethics. Middlegreen: St. Paul Publications; 1991, 73.].
De Commissie Warnock meende dat het embryo pas een individu begon te zijn na de vorming van de primitiefstreep, omdat het zich hooguit tot dat moment in twee genetisch identieke individuen zou kunnen splitsen. De primitieve streep is een langwerpige ophoping van cellen aan een van de uiteinden van het embryonale schild op de veertiende of vijftiende dag na de bevruchting. Het is de eerste aanduiding van de voorachterwaartse as van het embryo. Op deze plaats ontstaan door celmigratie een aantal lagen met gedifferentieerde cellen. In het embryonale schild kunnen zich maximaal twee primitieve strepen ontwikkelen, maar splitsing van het erdoor aangeduide embryo zal vanwege de beginnende migratie en differentiatie niet meer optreden. Deze periode van twee weken valt ongeveer samen met de periode vóór de implantatie in het baarmoederslijmvlies, die op de elfde tot dertiende dag na de bevruchting voltooid is. In deze periode wordt dikwijls van pre-embryo gesproken, welke term suggereert dat het embryo nog geen menselijk individu is en als zodanig zou dienen te worden gerespecteerd. Sommigen menen dat van de term ‘pre-embryo’ geen enkele suggestie in deze zin uitgaat, omdat het in de embryologie een klassieke gewoonte is om de vrucht pas na de implantatie als embryo te betitelen. Vóór de implantatie sprak men van blastogenese en daarna van embryogenese. De term pre-embryo werd echter niet gebruikt door de klassieke embryologie en is pas recent geïntroduceerd.
Een eerste bezwaar tegen de opvatting van de Commissie Warnock betreft het gegeven dat het ontstaan van tweelingen door een deling van het embryonale schild in genetisch identieke tweelingen nooit is waargenomen. Hierover bestaan uiteenlopende theoriën, die sterk van elkaar verschillen [: R. O’Rahilly, F. Müller. Developmental stages in human embryos. Washington: Carnegie Institute of Washington; 1987, 13–26, incl. fig. 5.2.] [: S.F. Gilbert. Developmental biology. 6th ed, Sunderland, Massachusetts: Sinauer Associates; 2000, 362–363.] [: B.M. Carlson. Human embryology and developmental biology. 3rd ed, Philadelphia: Mosby; 2004, 53.] [: G.W. Corner. The observed embryology of human single-ovum twins and other multiple births. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1955, 70, 933–951, p. 934.] [: W.J. Eijk. The criteria of overall individuality and the bio-anthropological status of the embryo before implantation. In: Screggia E, Laffitte J, editors. The human embryo before implantation Scientific aspects and bioethical considerations (=Proceedings of the twelfth assembly of the Pontifical Academy for Life): Libreria Editrice Vaticana,; 2007, Citta del Vaticano, 190–191.]. Het is onacceptabel om conclusies met een grote repercussie op het jegens menselijke embryo’s verschuldigd respect te baseren op een theorie waarvoor geen wetenschappelijk evidentie voorhanden is.
De fundamentele vraag is: sluit de mogelijkheid dat het embryo zich kan splitsen werkelijk uit dat het een individu is en bijgevolg een menselijke persoon? Er is ook een andere verklaring mogelijk, namelijk dat bij de mens tot de vorming van de primitieve streep aseksuele voort-planting voorkomt. Als ik bij het omspitten van de tuin een worm in tweeën hak, gaan de beide gedeelten schijnbaar ongestoord ieder hun eigen weg. Het lijkt een weinig aantrekkelij-ke gedachte dat bij de mens iets dergelijks ook mogelijk is, maar wie zal het tegendeel kunnen bewijzen? Dat aseksuele voortplanting bij de mens mogelijk is, zo betoogden Ashley en O’Rourke in 1989, zou zijn aangetoond op het moment dat wetenschappelijk onderzoekers erin slaagden om volwassen mensen te klonen door middel van kerntransplantatie [: B.M. Ashley, K.D. O’Rourke. Health Care Ethics. A Theological Analysis. St. Louis: The Catholic Health Association of the United States; 1989, p. 212.].
Een ander fenomeen waaruit zou blijken dat het vroege embryo een individu is betreft de mogelijkheid van de recombinatie van embryo’s. In dierexperimenten blijkt het mogelijk twee [: B. Mintz. Genetic mosaicism in adult mice of quadriparental lineage. Science 1965, 148, 1232–1233.] tot maximaal drie embryo’s [: C.L. Markert, R.M. Petters. Manufactured hexaparental mice show that adults are derived from three embryonic cells. Science 1978, 202, 56–58.] met elkaar te verenigen tot één enkel embryo dat genetisch verschillende cellijnen bevat, afkomstig van de oorspronkelijke embryo’s. De ontdekking aan het einde van de jaren zestig dat er mensen zijn die zowel cellen met twee X-chromosomen als cellen met een X- en een Y-chromosoom hebben, wordt gezien als een aanwijzing dat recombinatie ook bij menselijke embryo’s voorkomt [: A. Hellegers. Fetal development. Theological Studies 1970, 31, 5.] [: A. de la Chapelle, J. Schröder, P. Rantanen, B. Thomasson, M. Niemi, A. Tiilikainen, R. Sanger, E.B. Robson. Early fusion of two human embryos? Annals of Human Genetics 1974, 38, 63–75.] [: W.R. Mayr, V. Pausch, W. Schnedl. Human chimaera detectable only by investigation of her progeny. Nature 1979, 277, 210–1 doi:10.1038/277210a0.]. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kan dit fenomeen evenwel ook worden verklaard door een ‘kolonisatie’ van het lichaam van het desbetreffende individu door cellen afkomstig uit een twee-eiige tweeling of van de moeder gedurende de intra-uteriene ontwikkeling. Echter, ook al zouden deze individuen inderdaad het resultaat zijn van een recombinatie van twee embryo’s, dan is dit fenomeen nog niet een dwingend bewijs dat het vroege embryo geen individu zou zijn. Met evenveel recht zou men kunnen veronderstellen dat een van de embryo’s lichamelijk door het andere overlevende embryo wordt geabsorbeerd en daarom ophoudt te bestaan als individu en metafysiek gezien sterft.
Velen zien in het feit dat de unieke samenstelling van het erfelijk materiaal in de chromosomen vanaf de conceptie vastligt, een bewijs voor de individualiteit van het embryo. Hier zou echter tegenover staan dat het ontwikkelingsprogramma zoals dat in de chromosomen besloten ligt, niet direct na de conceptie actief is. In het begin wordt de energie in het embryo geleverd door chromosomen, die via de eicel afkomstig zijn van de moeder. De ontwikkeling aan het begin zou niet door het eigen DNA van de zygote worden gestuurd, maar door het DNA in de chromosomen, afkomstig van de moeder, en door het boodschap-per-RNA en eiwitten die aanwezig waren in de zaad – en de eicel waaruit het embryo is ontstaan [: T.A. Shannon, A.B. Wolter. Reflections on the moral status of the pre-embryo. Theological Studies 1990, 51, 608–614, p. 608.]. Dit is echter op zich ook geen reden om de individualiteit van de zygote in twijfel te trekken. Of het programma voor de verdere groei nu direct of pas enkele dagen later actief wordt, het ligt op het moment van de geboorte vast en zal, wanneer zich geen stoornissen voordoen, vanaf een bepaald moment de ontwikke-ling van het embryo aansturen. Overigens bevatten de resultaten van recent wetenschappelijk onderzoek aanwijzingen dat het eigen DNA al bij de zygote de ontwikkeling begint aan te sturen. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat een gen, dat primair verantwoordelijk is voor de differentiatie van de gonaden, reeds actief is in het stadium dat de vrucht nog een zygote is [: E. Pergament, M. Fiddler, N. Cho, D. Johnson, W.J. Holmgren. Sexual differentation and preimplantation growth. Human Reproduction 1994, 9, 1730–1732.].
Het criterium van de individualiteit van het embryo wordt vaak gecombineerd met het moment waarop het embryo een persoon zou worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het embryo in ieder geval niet als een persoon kan worden beschouwd, wanneer het nog geen individu is, welke veronderstelling op zich juist is. Zo heeft Ford de vorming van de primitieve streep in combinatie gebracht met het moment van de bezieling [: N.M. Ford. When did I begin? , Cambridge: Cambridge University Press; 1988, p. 170–177.].
1.2.2.4 Het embryo als persoon
De vraag of het embryo al dan niet een persoon is, lijkt op het eerste gezicht een helder en eenvoudig criterium. Is het een menselijke persoon, dan verdient het als zodanig respect. Is het embryo slechts een pre-persoon of potentiële persoon, dan zou het navenant minder rechten hebben. Het moment waarop het embryo een persoon zou worden, is echter zeer omstreden. Het daarvoor aangegeven tijdstip hangt op de eerste plaats van de visie af die men op de menselijke persoon heeft. Bovendien worden zelfs binnen één bepaalde visie nog heel verschillende momenten aangegeven, waarop het embryo als persoon zou moeten worden beschouwd.
Ervan uitgaande dat de menselijke persoon naast een materiële dimensie een geestelijke dimensie, een ziel heeft, als het principe voor de rationele, sensitieve en vegetatieve levensverrichtingen, is het de vraag op welke moment het embryo wordt bezield, want vanaf dat moment is het een menselijke persoon. Wat betreft het moment van de bezieling zijn er twee stromingen. De theorie van de directe of onmiddellijke bezieling houdt in dat de bezieling op het moment van de bevruchting plaatsvindt. Volgens de theorie van de indirecte of verlate bezieling zou dat op een later moment plaatsvinden.
Aristoteles (384/383-332 a.C.) heeft de theorie van de indirecte bezieling uitgewerkt op basis van zijn biologische inzichten. Hij veronderstelt dat het lichaam van het embryo ontstaat uit het menstruele bloed, dat tijdens de zwangerschap in de baarmoeder blijft. Dit bloed, gezien als de materiële oorzaak van het embryo, stolt onder invloed van het sperma, opgevat als de werkoorzaak en de formele oorzaak, zoals melk onder invloed van vijgensap of kaasstremsel [: Aristoteles. The generation of animals (Peri Zoion Geneseos Aristoteles). In: Peck AL, editor. The Loeb Classical Library no 366, Cambridge/London: Harvard University Press/William Heinemann; 1979, I, XIX–XX, 727a–729a, 95–111.]. Op deze wijze wordt het bloedstolsel door het zaad omgevormd tot het embryonale lichaam. Via het zaad ontvangt het menstruele bloed een vegetatieve ziel: ‘Zo komt het fysieke deel, het lichaam, voort uit de vrouw en de ziel uit de man …’ [: Aristoteles. The generation of animals (Peri Zoion Geneseos Aristoteles). In: Peck AL, editor. The Loeb Classical Library no 366, Cambridge/London: Harvard University Press/William Heinemann; 1979, II, IV, 738b, 184–185.]. Het gestolde bloed wordt aldus aan het einde van de eerste week een levend wezen, vergelijkbaar met een plant. De vegetatieve ziel wordt na enige tijd vervangen door een sensitieve ziel, hetgeen blijkt uit de aanleg van de organen van de zintuigen. Deze ziel wordt op haar beurt vervangen door een rationele ziel, die van buiten komt en een goddelijke oorsprong heeft [: Aristoteles. The generation of animals (Peri Zoion Geneseos Aristoteles). In: Peck AL, editor. The Loeb Classical Library no 366, Cambridge/London: Harvard University Press/William Heinemann; 1979, II, II, 736b, 170–171.]. De rationele ziel kan niet aanwezig zijn vanaf het begin, omdat haar werkzaamheid een zekere ontwikkelingsgraad van de organen met name van de zintuigen, veronderstelt:
‘De ziel is daarom de eerste act (perfectie) van een lichaam dat in potentie het leven heeft … Als we iets willen noemen dat gemeenschappelijk is aan elke ziel, dan is het dat de ziel de eerste act is van natuurlijke lichamen die organen bezitten’ [: Aristoteles. De Anima. In: Siwek, editor. Romae: apud aedes, vol II, (Series Philosophica 9), Roma: Pont. Universitatis Gregorianae; 1954, II, I 412a 27 en 412b, 1 en 4–6.].
Op basis van waarnemingen bij geaborteerde embryo’s concludeert Aristoteles dat een mannelijk embryo wordt bezield door een rationeel levensprincipe op de veertigste en een vrouwelijk embryo op de tachtigste dag [: Aristoteles. De animalibus historiae, VII, III. Aristoteles – Opera omnia, Paris 1927, III, 137–138.].
De keuze voor de theorie van de indirecte of verlate bezieling van Aristoteles is duidelijk bepaald door zijn visie op de embryonale ontwikkeling. Door te veronderstellen dat het lichaam van het embryo ontstaat uit gestold menstrueel bloed, kan Aristoteles niet aannemen dat het embryo is bezield vanaf de bevruchting. Zijn overtuiging dat alleen een organisch lichaam bezield kan zijn, maakte het voor hem ondenkbaar dat een amorf en levenloos bloedstolsel een menselijke ziel als levensprincipe bevat. Thomas van Aquino neemt de theorie van de indirecte bezieling van Aristoteles over, overigens niet zonder die te verfijnen en aan te vullen. St. Thomas wijdt op diverse plaatsen in zijn werk aandacht aan deze thematiek (zie de verwijzing aan het einde van dit hoofdstuk). Tot in twintigste eeuw waren er thomisten die de theorie van de indirecte bezieling aanhingen op basis van hun formulering van de eis van een voldoende dispositie van de materie om bezield te kunnen worden door een rationele ziel, zoals men kan lezen in nummer 15 van de 24 thomistische stellingen, gepubliceerd door de Congregatie voor de Studies (de voorloper van de huidige Congregatie voor de Katholieke Opvoeding) op 27 juli 1914: ‘Daarentegen subsisteert de menselijke ziel in zich, die door God geschapen wordt, wanneer zij kan worden ingestort in een subject dat voldoende is gedisponeerd, en, van nature, onvergankelijk en onsterfelijk is’. [: Sacra Studiorum Congregatio. Theses quaedam, in doctrina Sancti Thomae Aquinatis contentae, et a philosophiae magistris propositae, adprobantur. Acta Apostolicae Sedis 1914, 6, 385.]
In 1827 ontdekte Karl-Ernst von Baer de eicel bij zoogdieren en bij de mens en tevens het mechanisme van de bevruchting. Daardoor stond definitief vast dat het menselijk lichaam niet begint als een bloedstolsel, maar als een levende, bevruchte eicel. Hierdoor verviel het Aristotelische bezwaar tegen een bezieling bij de bevruchting. Dit was voor de meerderheid van de katholieke theologen een reden om aan te nemen dat er een directe bezieling plaatsvindt op het moment van de bevruchting en niet op een later tijdstip [: J.P. Gury. Compendium theologiae moralis. 17th ed, Rome/Turijn 1866.] [: E.T. Genicot, I. Salsmans. Institutiones theologiae moralis. 12th ed, Leuven/Brussel 1931, I, no. 375.] [: D.M. Prümmer. Manuale theologiae moralis. 10e ed, Barcelona: Herder; 1945, Vol. II, nr 138.].
Om abortus provocatus en interceptie te verdedigen grepen moraaltheologen en ethici in de jaren zestig weer terug op de theorie van de verlate bezieling. Om deze theorie te staven greep Donceel deels terug op het Aristotelisch argument dat voor een bezieling een zekere ontwikkeling van het zenuwstelsel vereist is:
‘Het minste dat we moeten veronderstellen voor de aanwezigheid van een menselijke ziel is op de eerste plaats de beschikbaarheid van deze organen: de zintuigen, het zenuwstelsel, de hersenen en vooral de hersenschors. Omdat deze organen nog niet rijp zijn in de eerste fasen van de zwangerschap, acht ik het zeker dat er geen menselijke persoon bestaat, tenzij na verscheidene maanden’ [: J.F. Donceel. Immediate animation and delayed hominization. Theological Studies 1970, 31, 76–105, p. 101.].
Ter ondersteuning van de theorie van de verlate bezieling beroepen theologen en ethici zich vaak op enkele wetenschappelijke ontdekkingen door de embryologie in de vorige eeuw. Het betreft:
- het aanzienlijke spontane verlies van bevruchte eicellen;
- de vorming van eeneiige tweelingen;
- de mogelijkheid van een recombinatie van twee of drie embryo’s tot één enkel embryo.
De laatste twee fenomenen zijn boven al uitgebreid aan de orde geweest. Op basis van experimentele waarnemingen veronderstelde Needham in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw dat tegen de 50% van alle bevruchte eicellen verloren gaat. Dat maakt het voor velen onaannemelijk dat de bevruchte eicel al bezield zou zijn [: K. Rahner. The problem of genetic manipulation. In: Rahner K, editor. Theological Investigations. 2nd ed, London: Darton, Longman and Todd; 1981, vol IX, 226, voetnoot 2.] [: J.F. Donceel. Immediate animation and delayed hominization. Theological Studies 1970, 31, 76–105, p. 99–100.] [: J.J. Diamond. Abortion, animation, and biological hominization. Theological Studies 1975, 36, 312–313.]. Dit zou immers betekenen dat de helft van alle menselijke personen met een direct door God geschapen ziel in de eerste weken of maanden van de zwangerschap verloren zou gaan. Geheel nieuw is genoemd bezwaar overigens niet: het wordt al gesignaleerd door Anselmus [: Anselmus. De conceptu virginali. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina 158, 7, p. 440.]. Volgens hem is het ondenkbaar dat de menselijke vrucht al in de eerste fasen van de ontwikkeling bezield is, omdat dat zou inhouden dat deze individuen geen mogelijkheid hebben om door het doopsel met God te worden verzoend. Het grote spontane verlies aan embryo’s staat echter niet noodzakelijk haaks op een directe bezieling. De hoge mortaliteit van kinderen, die tot in de negentiende eeuw rond de 50% bedroeg, is ook geen reden om hun persoon zijn in twijfel te trekken [: N.M. Ford. When did I begin? , Cambridge: Cambridge University Press; 1988, p. 180–181.].
Vanaf het moment dat het embryo is bezield, is het een menselijk persoon en wordt het daardoor een individu in de hoogste graad. De deling van het embryo, mogelijk geacht tot de vorming van de primitieve streep op de 14de of 15de dag, zou aldus de Commissie Warnock bewijzen, zoals we hebben gezien, dat het embryo in de eerste ontwikkelingsfase nog geen individu en daarmee geen persoon is. De moraalfilosoof Norman Ford concludeert daarom dat de bezieling alleen plaats kan hebben na de vorming van de primitieve streep [: N.M. Ford. When did I begin? , Cambridge: Cambridge University Press; 1988, p. 170–177.]. We hebben echter boven al geconstateerd dat de deling van het embryo of de recombinatie van embryo’s niet uitsluit dat het vroege embryo een individu is.
Binnen de huidige seculiere bio-ethiek wordt de status van het embryo hoofdzakelijk gezien vanuit het perspectief van de Identity Theory of Mind (Hoofdstuk I,1.2.1). Dit mensbeeld identificeert de mens met datgene dat het meest specifiek voor hem is, namelijk zijn rationeel bewustzijn en zijn vermogen om autonome beslissingen te nemen. Kenmerkend is voor dit mensbeeld, dat het weliswaar materialistisch is, maar tevens dualistisch, in die zin dat het een scherpe scheiding impliceert tussen aan de ene kant wat specifiek is voor de mens als mens, zijn rationele bewustzijn, en aan de andere kant zijn biologische natuur, die zich niet wezenlijk onderscheidt van die van de dierenwereld. Het is evident dat binnen dit mensbeeld het embryo in ieder geval geen persoon kan zijn, voordat er een zekere ontwikkeling van het zenuwstelsel is. Tauer is van mening dat het embryo wanneer zijn zenuwstelsel zich zover heeft ontwikkeld dat het enkele zaken uit de omgeving kan registreren, gerijpt is tot een ‘psychische persoonlijkheid,’ waardoor het dicht de status nadert van die van een persoon in strikte zin. Deze ervaringen kunnen onbewust zijn, maar – zoals we weten uit de psychoanalyse – desalniettemin leiden tot het ontstaan van herinneringen die later het bewustzijn zullen beïnvloeden. Op basis hiervan denkt Tauer dat er voldoende redenen zijn om aan het embryo vanaf de 7de week niet alleen morele waarde toe kennen, maar ook het begin van het persoon zijn in moreel relevante zin te erkennen [: C.A. Tauer. Personhood and Human Embryo and Fetuses. The Journal of Medicine and Philosophy 1985, 10, 253–266.].
Anderen, zoals McMahan, gaan ervanuit dat het embryo op een later moment een mens wordt: ‘Ik geloof dat de meest geloofwaardige visie is dat wij geïncarneerde geesten (‘embodied minds’) zijn … ik begon te bestaan toen de hersenen in dit lichaam – mijn lichaam – voor het eerst in staat waren om een bewustzijn te hebben’ [: J. McMahan. Cloning, killing, and identity. Journal of Medical Ethics 1999, 25, 77–86, p. 83.]. Dit houdt in dat het embryo mens wordt tussen de 28ste en de 30ste week van zijn ontwikkeling.
Engelhardt eist daarentegen de manifeste aanwezigheid van het zelfbewustzijn, rationele activiteit en het vermogen tot sociale communicatie om van een menselijke persoon te kunnen spreken. Aangezien deze functies waarschijnlijk pas geruime tijd na de geboorte aantoonbaar aanwezig zijn, zouden ongeborenen en pasgeborenen – inclusief geestelijk gehandicapten die nooit een rationeel bewustzijn hebben gehad – geen menselijke personen zijn met de desbetreffende morele status. Ongeboren en pasgeboren kinderen zijn volgens de Australische filosoof Peter Singer hooguit te kwalificeren als ‘marginal persons,’ waarvan de status overeenkomt met die van de hogere mensapen [: J. Singer. Practical ethics. 2nd ed, Cambridge: Cambridge University Press; 1993, p. 85–109, 175–217.]. Alvorens persoon te worden zijn zij slechts menselijke wezens in biologisch opzicht, maar geen menselijke personen [: H.T. Engelhardt. Viability and the use of the fetus. In: Bondeson WB, Engelhardt HT, editors. Abortion and the status of the fetus, Dordrecht: Reidel; 1983, p. 184–191.] [: H.T. Engelhardt. The foundation of bioethics. 2nd ed, Oxford/New York: Oxford University Press; 1996, p. 135–140.]. Naast een dualisme tussen de menselijke persoon en zijn lichaam impliceert de Identity Theory of Mind tevens een dualisme tussen menselijke personen en menselijke wezens. Met deze visie als uitgangspunt worden abortus provocatus, experimenten met embryo’s en levensbeëindigend handelen bij gehandicapte pasgeborenen gerechtvaardigd.
Deze visie heeft ook voor andere terreinen van de medische ethiek verstrekkende consequenties. Strikt genomen impliceert deze mensvisie dat ook de patiënt die in een permanent vegetatieve staat verkeert, geen persoon meer zou zijn. Gesuggereerd is wel dat hij daarom als orgaandonor zou kunnen fungeren [: R.D. Truog, J.C. Fletcher. Brain death and the anencephalic newborn. Bioethics. 1990/07/01 ed 1990, 4, 199–215 doi:10.1111/j.1467-8519.1990.tb00083.x.].
In Hoofdstuk I (1.2.1) is de Identity Theory of Mind uitgebreid besproken. Een fundamenteel bezwaar tegen dit mensbeeld is dat het een dualisme impliceert, waardoor de menselijke persoon niet als eenheid valt te verklaren.
1.2.2.5 De intrinsieke finaliteit van het embryo
Gesteld dat het embryo geen menselijk individu was, zou het dan niet voor de hand liggen te concluderen dat het beëindigen van zijn leven door abortus provocatus, in experimenteel onderzoek en bij therapeutisch klonen, geoorloofd is, omdat deze handelingen niet het doden van een menselijk individu impliceren? Volgens McMahan ‘zou dit niet het doden van een van ons inhouden, maar alleen het voorkomen van zijn bestaan’ [: J. McMahan. Cloning, killing, and identity. Journal of Medical Ethics 1999, 25, 77–86, p. 83.]. Als extra argument voor de toelaatbaarheid van vroege abortus provocatus of experimenten met embryo’s is wel gewezen op het feit dat de christelijke traditie tot in de negentiende eeuw de voorkeur gaf aan de theorie van de verlate bezieling [: G.R. Dunstan. The human embryo in the western moral tradition. In: Dunstan GR, Seller MJ, editors. The status of the human embryo Perspectives from moral tradition, London: King Edward’s Hospital Fund for London; 1990.]. Dit roept echter de vraag op waarom de christelijke theologen desondanks tot in de tweede helft van deze eeuw unaniem abortus provocatus ook vóór het moment van de bezieling hebben afgewezen. Blijkbaar hebben zij aan het embryo ook in de vroege ontwikkelingsfase toch een morele status toegeschreven. Zeer bekend is de volgende tekst van Tertullianus:
‘Omdat moord eenmaal verboden is, is het voor ons ook ongeoorloofd de conceptus te vernietigen gedurende de periode dat het bloed in een mens wordt omgevormd. Het voorkomen van de geboorte staat gelijk met een vroe-ge moord; en het maakt niet uit of iemand het leven beëindigt dat al geboren is, of het leven verstoort dat nog in een ontwikkelingsfase op weg naar de geboorte is; een mens is ook degene die het zal worden; ook elke vrucht is reeds in het zaad’ [: Tertullianus. Apologeticus adversus gentes pro christianis. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina 1, p. 371–372.].
Met de omvorming van het bloed in een mens doelt Tertullianus op de van oorsprong aristotelische opvatting dat het bloed in de baarmoeder bij zwangerschap niet zoals bij de menstruatie werd uitgedreven, maar achterblijft en onder invloed van de actieve formerende kracht van het mannelijk zaad tot het lichaam van het embryo wordt omgevormd. Op het moment dat dit proces nog in volle gang is, is er aldus Tertullianus iets in de baarmoeder aanwezig dat minstens als een mens moet worden gerespecteerd, omdat het dat zal worden. Als extra argument wordt toegevoegd dat elke vrucht reeds virtueel in het zaad aanwezig is. De achterliggende gedachte in deze tekst is dat het ontwikkelingsproces vanaf het moment van de conceptie doelmatig verloopt. Er ligt in de conceptus, met name in het zaad, een essentiële doelgerichtheid (intrinsieke finaliteit) om tot een mens uit te groeien. Hieruit vloeit de plicht voort om het leven van het embryo te respecteren. In zijn commentaar op het Lucasevangelie schrijft Ambrosius:
‘Om uw lichtvaardigheid in te perken, u bent er u bewust van dat de handen van uw Schepper de mens in de baarmoeder vormt. Hij is aan het werk, en u schendt met uw lusten het geheim van de heilige baarmoeder?’ [: Ambrosius. Expositio Evangelii secundum Lucam. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina, liber I, 44.]
Hier gaat het niet om vruchtafdrijving. Ambrosius lijkt te veronderstellen dat onbeteugelde seksuele hartstochten tot steriliteit leiden. In ieder geval gaat hij ervan uit dat de vorming van het embryo binnen het kader van Gods scheppend handelen een doelgericht ontwikkelingsproces is.
Dezelfde gedachte treft men ook bij Augustinus aan: ‘En toch in alle zieke mensen die geboren worden, bewerkt God wat goed is, door het lichaam te vormen, aan het lichaam leven te geven, door het te voeden …’ [: Augustinus. Sermo CLVI. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina, caput II, 38, 851.]. Hij denkt hierbij niet aan een directe inwerking van God op het biologisch ontwikkelingsproces van het embryo, maar aan een transcendentale causaliteit die de directe biologische oorzaken omvat [: Augustinus. De anima et ejus origine. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina, liber I, caput XVI, 44, p. 488–489.]. Dezelfde doelgerichtheid gekoppeld aan de scheppingsgedachte komt tot uiting in de wijze waarop Thomas van Aquino het ontstaan van de mens beschrijft (bezieling van de foetus: Scriptum super Sententiis Petri Lombardi, liber 2, distinctio 18, quaestio 2, aarticulus 3; De potentia, quaestio. 3, ad 9; Summa contra gentiles, 2, 87-89; Summa Theologica, 1, 76, 3, ad 3 en I, 118, 2, ad 2; De spiritualibus creaturis, articulus 3, ad 12; De anima, articulus 11; het ontstaan van de mens: Scriptum super libros sententiarum Petri Lombardi, 2, d. 18, q. 2, a. 3; De potentia, q. 3, ad 9; Summa contra gentiles, 2, 87-89; Summa Theologica, 1, q. 76, a. 3, ad 3, en 1, q. 118, a. 2, ad 2; De spiritualibus creaturis, a. 3, ad 12; De anima, a. 11).
Het verijdelen van de procreatie wordt door de christelijke theologen gezien als een weigering om een volgens de scheppingsorde vastgesteld doel of goed van het huwelijk te verwezenlijken. Het is vanuit deze gedachtegang dat de kerkvaders en de middeleeuwse theologen het gebruik van steriliserende middelen (anticonceptiva), het doden van de nog niet bezielde zowel als van de bezielde vrucht en infanticide op één lijn stelden [: Augustinus. De nuptiis et concupiscentia. In: Migne JP, editor. Patrologia Latina, liber I, caput XV, 44, p. 423.] [: P. Lombardus. Sententiae. Editiones Collegii S Bonaventurae Ad Claras Aquas: Grottaferrata; 1971, liber IV, distinctio 31, caput 3–4.].
Ofschoon in hun ogen abortus vóór de bezieling geen homicidium (moord) genoemd kan worden, spreken zij toch van een ongeoorloofde ingreep, omdat de intrinsieke finaliteit van het embryo om het moment van de bezieling te bereiken erdoor geschonden wordt. Hooguit heeft men gedurende bepaalde perioden de abortus van een onbezielde foetus lichter bestraft [: J. Connery. Abortion: The Development of the Roman Catholic Perspective. Chicago: Loyola University Press; 1977, p. 142–148.] of, indien het leven van de moeder op het spel stond, geoorloofd geacht [: G. Grisez. Abortion: the Myths, the Realities, and the Arguments. New York: Corpus Books; 1970, p. 165–184.].
De ruime aanhang die de theorie van de verlate bezieling onder christelijke theologen in de loop der eeuwen heeft gehad, rechtvaardigt geenszins de conclusie dat vroege abortus provocatus of experimenten waarin embryo’s worden verbruikt geoorloofd zijn. De christelijke traditie schreef ook aan het onbezielde embryo een morele status toe op basis van zijn intrinsieke finaliteit. Volgens de hedendaagse biologie ligt deze finaliteit besloten in het ontwikkelingsprogramma dat op geleide van de chromosomen, waarvan de samenstelling vanaf het moment van de bevruchting vastligt, wordt uitgevoerd. Als men van een element van de Traditie gebruik wil maken, waarom gaat men dan achteloos voorbij aan andere elementen van diezelfde traditie die wel met de resultaten van de huidige embryologie compatibel zijn?
Evaluatie
In Hoofdstuk I (1.2.3) is geconcludeerd dat de mens een materiële en een geestelijke dimensie. De laatste is het menselijk levensprincipe, dat zowel voor de geestelijke als de sensitieve en vegetatieve levensverrichtingen verantwoordelijk is. Dit levensprincipe formeert de materia prima, de volstrekt ongevormde materie, tot een menselijk lichaam. De fundamentele vraag met betrekking tot de status van het embryo is daarom: vanaf welk moment kan dit geestelijk levensprincipe, in klassieke terminologie de ziel, aanwezig worden geacht?
In lijn met Donum Vitae (I,1) en de encycliek Evangelium Vitae [: S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401–522, no. 60.] vermijdt Dignitas Personae hierop een rechtstreeks bevestigend antwoord te geven:
Ofschoon de aanwezigheid van de geestelijke ziel niet experimenteel kan worden waargenomen, leveren de conclusies van de wetenschap wat betreft het menselijk embryo een ‘kostbare aanwijzing om rationeel een persoonlijke aanwezigheid te onderscheiden vanaf dit eerste verschijnen van het leven: waarom zou een menselijk individu geen menselijke persoon zijn?’ [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Instructio Dignitas Personae de Quibusdam Scientiae Bioethicae Quaestionibus. Acta apostolicae Sedis, 2008, 100, 858–887, no. 5.].
Op welke aanwijzing doelt de instructie? We weten dat het embryo vanaf de bevruchting een autonome, gecoördineerde, continue en geleidelijke ontwikkeling doormaakt. Deze vindt doelgericht plaats op geleide van het DNA in de celkern dat in zijn specifieke combinatie vanaf de bevruchting aanwezig en actief is:
‘Het lichaam van een mens kan, vanaf de allereerste stadia van zijn bestaan, nooit worden gereduceerd tot slechts een klompje cellen. Het embryonale menselijk lichaam ontwikkelt zich gestaag volgens een duidelijk omlijnd programma met een eigen doelmatigheid, zoals blijkt uit de geboorte van iedere baby’ [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Instructio Dignitas Personae de Quibusdam Scientiae Bioethicae Quaestionibus. Acta apostolicae Sedis, 2008, 100, 858–887, no. 5.].
Vanaf het begin bestaat het belangrijkste fundament van de menselijke biologische natuur.
Hoe dan ook, binnen het mensbeeld dat als uitgangspunt dient voor dit handboek, zijn zowel de menselijke geest als de menselijke biologische natuur beide intrinsieke dimensies van de menselijke persoon. Vanuit dit perspectief is het moeilijk denkbaar dat er een fase is in de embryonale ontwikkelingsfase waarin één intrinsieke dimensie, namelijk de geestelijke, nog niet bestaat, terwijl de andere intrinsieke dimensie, de biologisch-genetische, al aanwezig is. De vorm en de materie zijn beide factoren die een materieel wezen constitueren. De substantiële vorm die de menselijke ziel is, ‘vormt’ de materie tot een menselijk lichaam. Het menselijk genoom, zoals we hebben gezien, impliceert een menselijke biologische ontwikkeling, die geleidelijk, continu en gecoördineerd verloopt, en geen cesuur inhoudt die zou kunnen worden aangewezen als het moment waarop het werkelijke menselijk levensprincipe, een subsistente geestelijke vorm, de aansturing van de verdere ontwikkeling overneemt.
Desalniettemin kunnen velen zich moeilijk voorstellen dat met name in het vroege embryo de menselijke geest aanwezig is, omdat noch in zijn uiterlijke verschijning, noch door de manifeste aanwezigheid van specifiek menselijke vermogens de indruk maakt een menselijke persoon te zijn. Maar moeten we daarom concluderen dat het embryo slechts een ‘potentiële’ of ‘mogelijke’ menselijk persoon is? In dit opzicht is het nodig zich twee premissen voor ogen te houden:
- Alle mensen, hoezeer ze van elkaar kunnen verschillen, hebben eenzelfde ziel als levensprincipe. De verschillen, zoals die zich bijvoorbeeld voordoen met betrekking tot intelligentie, worden verklaard door verschillen in neuronale netwerken in de hersenen, waardoor het vermogen om zintuiglijke informatie te verwerken aanzienlijk kan variëren tussen menselijke individuen [: Thomas Aquinas. Scriptum super Sententiis. liber II, distinctio 32, quaestio 2, articulus 3, ad 1.] [: Thomas Aquinas. Summa Theologiae. I, 85, 8, ad 3 & 7 in c.]. Een mentaal gehandicapt persoon heeft dezelfde ziel als mensen met gewone geestelijke vermogens, maar die kan slechts in beperkte mate tot uitdrukking komen, als gevolg van de dispositie van de materiële dimensie van het individu (vgl. Hoofdstuk I.1.1.2.3).
- Deze dispositie kan ook bij hetzelfde individu gedurende zijn leven variëren. De neuronale netwerken, noodzakelijk voor een manifest bewustzijn, beginnen zich te ontwikkelen vanaf de 21ste dag. Deze ontwikkeling gaat echter door na de geboorte en in zekere zin het hele leven. En het kan gebeuren dat later in het leven als gevolg van een cerebraal trauma, een hersenbloeding of en herseninfarct de desbetreffende neuronale netwerken definitief verloren gaan, zonder dat dit de dood, dus de scheiding van ziel en lichaam, impliceert.
De afwezigheid van een manifest menselijk bewustzijn of een nog onvolledig of gebrekkig ontwikkeld bewustzijn houdt op zich niet de afwezigheid in van een geestelijke dimensie. De ‘drager’ van de geestelijke vermogens kan aanwezig zijn, hoe moeilijk men zich dat op het oog wellicht kan voorstellen, vanaf de conceptie, ook al heeft die nog niet de fysieke mogelijkheid om tot uitdrukking te komen. De afwezigheid van een manifest bewustzijn is dus geen motief om het embryo als een potentiële persoon te kwalificeren: het is een actuele persoon, die potentiële vermogens heeft die nog moeten worden geactualiseerd. In dit verband is het belangrijk zich te realiseren dat er een onderscheid is tussen ontstaan en groei. De groei is een proces van een levend wezen dat al is ontstaan. Als het menselijk lichaam eenmaal is ontstaan, dan is de geestelijke dimensie het drijvend principe, de werkoorzaak van het leven. Zij is de bron van alle levensprocessen, met inbegrip van de groei van het embryo.
De fout van de Identity Theory of Mind is dat zij het manifeste rationele en autonome bewustzijn verwart met het persoon zijn als zodanig, terwijl het bewustzijn feitelijk een accidentele kwaliteit is: een volwassen menselijke persoon is en blijft een menselijke persoon met alle rechten van dien, ook in het geval dat zijn rationele en autonome bewustzijn nog niet tot ontwikkeling is gekomen, zich nooit heeft ontwikkeld als gevolg van ernstige mentale handicaps of verloren is gegaan als gevolg van een irreversibele beschadiging van de hersenschors of de hogere hersenkernen.
Afgezien van de vraag of het embryo vanaf de bevruchting een persoon is of niet, blijft staan dat het menselijke embryo vanwege zijn intrinsieke finaliteit als een menselijke persoon dient te worden gerespecteerd. Het is om een tweetal reden van belang om met dit criterium rekening te houden.
Zoals we boven hebben gezien zijn er ook katholieke moraaltheologen die het vroege embryo niet als een persoon beschouwen of het althans niet overtuigend bewezen achten dat het embryo een persoon is. Sommigen onder hen passen het klassieke moraalsysteem van het probabilisme toe, volgens welke men in bepaalde gevallen een waarschijnlijke opinie die tegen de norm ingaat mag volgen, ook al is de opinie ten gunste van de norm meer waarschijnlijk. Omdat de redenen die ertegen pleiten dat het vroege embryo onder de norm voor het respect voor het leven valt, minstens net zo goed en solide zouden zijn als de argumenten voor het tegengestelde, zou men gerechtigd zijn om zijn persoonlijke waarschijnlijk geachte mening te volgen. Op basis van deze gedachtegang wordt de theorie van de verlate bezieling wel aangevoerd om vroege abortus en experimenten met embryo’s kunnen rechtvaardigen [: C.A. Tauer. The tradition of probabilism and the moral status of the early embryo. Theological Studies 1984, 45, 3–33.] [: B. Soane. Roman catholic casuistry and the moral standing of the human embryo. In: Dunstan GR, Seller MJ, editors. The status of the human embryo, Perspectives from moral tradition, London: King Edward’s Hospital Fund for London; 1990.]. Echter, op de eerste plaats moet men zich afvragen hier niet de meest veilige weg zou moeten volgen, dat wil zeggen geen enkel risico mag worden genomen om menselijke personen op te offeren als middel tot een doel [: S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401–522, no. 60.]. Op de tweede plaats moet men de morele status van het embryo in ieder geval op basis van zijn intrinsieke finaliteit erkennen.
Er is echter nog een tweede, fundamentele reden. Sommigen nemen aan dat de foetus ook in een stadium dat het al een persoon zou zijn, toch om bepaalde redenen, bijvoorbeeld omdat door middel van prenatale diagnostiek een defect is aangetoond, mag worden afgedreven. Hetzelfde geldt voor het doden van pasgeborenen met aangeboren en/of erfelijke afwij-kingen, waarbij de vraag of zij als personen moeten worden beschouwd, verder niet aan de orde wordt gesteld. Zowel onder christelijke moraaltheologen als in kringen van seculiere ethici wordt tegenwoordig de morele beoordeling van een handeling dikwijls aan de hand van een afweging van premorele waarden bepaald (vgl. Hoofdstuk I.1.2.1 en 1.1.2). Het doden van een embryo zou hooguit een premoreel kwaad zijn. Na afweging van dit kwaad tegen een goed doel dat men ermee beoogt, het belang van de moeder bij abortus provocatus of de vooruitgang van de geneeskunde bij experimenten in embryo’s, zou het doden van ongeborenen eventueel moreel aanvaardbaar kunnen zijn [: T.L. Beauchamp, J.F. Childress. Principles of Biomedical Ethics. 3 ed, New York / Oxford: Oxford University Press; 1989, p. 132–133.]. Vanwege de intrinsieke finaliteit van de menselijke persoon zowel als het embryo en de foetus die op weg zijn om dat te worden, mag men het leven van de mens niet louter als instrumentele waarde bejegenen. Erkenning van de intrinsieke finaliteit vormt de meest fundamentele waarborg voor de bescherming van het leven voor en na de geboorte.

