Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk III

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

III.1.3 Conclusie

W.J. Eijk

Bij het afwegen van de diverse criteria voor de beoordeling van de status van het embryo blijkt essentieel dat het embryo vanaf de conceptie een menselijke biologische status heeft. Het embryo is een levend wezen, waarvan de ontwikkeling wordt gestuurd door het genoom dat vanaf de bevruchting aanwezig en actief is en zich voltrekt op autonome, gecoördineerde, continue en geleidelijke wijze. Dat het embryo op een later moment in de ontwikkeling een mens of een menselijke persoon zou worden, is incompatibel met het feit dat de mens wordt geconstitueerd door een spirituele en een materiële dimensie, die beide intrinsiek zijn. Dit maakt het ondenkbaar dat de materiële dimensie, de menselijke biologische natuur, al aanwezig is, terwijl de spirituele en formerende dimensie er nog niet is. Los van de vraag of het embryo een menselijke persoon is, geldt dat het een intrinsieke finaliteit heeft die vanaf de conceptie moet worden geëerbiedigd.

image_pdfimage_print