Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk III

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

III.5.1 Aard van de experimenten

F.J. van Ittersum, W.J. Eijk

5.1.2 Ethische beschouwing

Experimenten met menselijke embryo’s stuiten op divers fundamentele bezwaren.

  1. Op de eerste plaats doet zich de moeilijkheid voor dat het bij de huidige stand van zaken alleen mogelijk is om het embryo in handen te krijgen en ermee te experimenteren door het met behulp van kunstmatige bevruchtingstechnieken in het laboratorium tot stand te brengen. Kunstmatige bevruchting betekent echter dat de beide betekenissen van de huwelijksdaad, de eenheid van de echtgenoten en de voortplanting, moedwillig van elkaar gescheiden worden. Het kind is alleen de vrucht van de ouderliefde, wanneer het in de huwelijksdaad is verwekt, omdat die de authentieke uitdrukking van de ouderliefde is op fysiek niveau. Als het kind wordt geconcipieerd in het laboratorium door derden met behulp van bevruchtingstechnieken, dan is het kind geen vrucht van de ouderliefde maar het product van een techniek. Kunstmatige bevruchtingstechnieken zijn daarom intrinsiek kwade handelingen [9Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, II, 4.] (vgl. hoofdstuk II.3.2.).
  2. Op de tweede plaats zijn de beschermwaardigheid van het embryo en het belang van wetenschappelijk onderzoek geen factoren die met elkaar vergeleken kunnen worden. Het embryo dient van af de conceptie te worden gerespecteerd als een menselijke persoon. Uiteraard kan niet worden bewezen dat het embryo een actuele menselijke persoon is, maar ook al zou het dat niet zijn, dan is het minstens potentiële menselijke persoon, die zich tot een actuele menselijke persoon kan ontwikkelen. Met die toekomstige menselijke persoon moet rekening worden gehouden:

‘Het menselijk wezen moet geëerbiedigd worden en behandeld als een persoon vanaf het ogenblik van de conceptie; en daarom moeten vanaf datzelfde moment zijn rechten als persoon worden erkend, waaronder in de eerste plaats het onaantastbare recht op leven van ieder onschuldig menselijk wezen’ [10S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401–522, no. 60.] [11Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I,1.].

Factoren kunnen met elkaar worden vergeleken, als ze van dezelfde orde zijn, omdat het dan een gemeenschappelijke noemer is. Die is er echter niet in het geval van de beschermwaardigheid van het embryo het belang van wetenschappelijk onderzoek wetenschappelijk onderzoek en de resultaten ervan hebben louter een instrumentele waarde. Zij dienen om nieuwe therapieën te ontwikkelen en om voortplantingstechnieken te verbeteren. Embryo’s, die als menselijke personen moeten worden gerespecteerd, zijn daarentegen een intrinsieke waarde. Door zijn vrijheid en zijn speciale bestemming is de menselijke persoon een doel in zich. Hij is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (Gen. 1,25-27). God is een doel in zich aan dat geldt ook voor de wezens die naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen. Om deze reden noemt het tweede Vaticaans Concilie de mens ‘het enige schepsel … dat om zichzelf door God gewild is’ [12Sacrosanctum Oecumenicum Concilium Vaticanum II. Constitutio pastoralis de ecclesia in mundo huius temporis “Gaudium en spes” (7-12-1965). Acta Apostolicae Sedis 1966, 58, 1025–1120, no. 24.]. Een instrumentele waarde, zoals wetenschappelijk onderzoek en de resultaten daarvan, kan men niet afwegen tegen de intrinsieke waarde die het menselijk embryo vertegenwoordigt. Om deze reden embryo’s niet worden verbruikt bij wetenschappelijk onderzoek, hoe groot de waarde daarvan ook mag zijn. Het is daarom ongeoorloofd om experimenten te verrichten waarin restembryo’s worden vernietigd. Het tot stand brengen van embryo’s met als enig doel ze in wetenschappelijk onderzoek te verbruiken is een nog ernstiger schending van hun intrinsieke waardigheid.

Het vereiste respect voor het vroege embryo sluit echter in principe experimenten met embryo’s niet volstrekt uit. In 1987 schreef de Congregatie voor de Geloofsleer in de instructie Donum Vitae:

‘Het medisch onderzoek moet zich onthouden van ingrepen op levende embryo’s, behalve wanneer de morele zekerheid bestaat dat noch aan het leven noch aan de integriteit van het ongeboren leven en de moeder schade wordt toegebracht, en op voorwaarde dat de ouders na behoorlijke informatie hun vrije instemming hebben gegeven voor de ingreep op het embryo … Wanneer deze [de embryo’s] levend zijn, levensvatbaar of niet, moeten zij evenals alle menselijke personen worden gerespecteerd; het niet rechtstreeks therapeutisch experiment is ongeoorloofd’ [13Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I, 4.].

In verband met de ontwikkelingen in de wetenschap schrijft de Congregatie voor de Geloofsleer in 2008 een vervolg op Donum Vitae, de instructie Dignitas Personae, en citeert in de nieuwe instructie de encycliek Evangelium Vitae van Paus Johannes Paulus II (nr. 63) met de woorden:

‘ “Het gebruik van menselijke embryo’s of foetussen voor louter experimenten is een misdrijf tegen hun waardigheid als menselijke wezens, die evenveel recht hebben op eerbied als kinderen die reeds geboren zijn en als elke andere persoon.” Deze vormen van experimenteren zijn altijd een ernstige verstoring van de morele orde’ [14Congregatio pro Doctrina Fidei. Instructio Dignitas Personae de Quibusdam Scientiae Bioethicae Quaestionibus. Acta apostolicae Sedis, 2008, 100, 858–887, no. 34.].

Ten aanzien van de vraag welke experimenten al dan niet geoorloofd zijn, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen direct therapeutische, niet direct therapeutische en niet-therapeutische experimenten. Een therapeutisch experiment houdt een therapeutisch voordeel in voor het embryo waarbij het experiment wordt uitgevoerd. Niet direct therapeutische experimenten zijn gericht op de ontwikkeling van nieuwe therapieën, waarvan het embryo in kwestie echter niet zal kunnen profiteren. Niet-therapeutische experimenten zijn gericht op de vermeerdering van wetenschappelijke kennis [15Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I, 4.]. In niet direct-therapeutische en niet-therapeutische experimenten wordt het embryo gedegradeerd tot een instrumentele waarde, hetgeen een ernstige schending is van zijn intrinsieke waarde.

Een essentieel probleem voor therapeutische experimenten is, zoals boven reeds als bezwaar gesignaleerd, dat men het embryo in handen zal moeten hebben om het experimentele onderzoek te kunnen verrichten (vgl. de paragraaf over pre-implantatiediagnostiek, hoofdstuk II.3). Dit is met de huidige stand van de techniek praktisch alleen mogelijk met embryo’s die via IVF zijn verwekt, waartegen fundamentele ethische bezwaren bestaan. Stel dat dit probleem te omzeilen zou zijn – bijvoorbeeld door het embryo in de eileider of de baarmoeder op te vangen en door methodes, die misschien in de toekomst beschikbaar zullen zijn, om embryo’s na therapeutische behandeling op een veilige wijze in de baarmoeder terug te plaatsen. Dan zouden direct-therapeutische toelaatbaar kunnen zijn, omdat ze een persoonlijk voordeel opleveren voor het embryo in kwestie [16Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I, 4.].

Aan direct-therapeutische experimenten met embryo’s zijn condities verbonden, zoals die gelden voor therapeutische experimenten in het algemeen. De te verwachten risico’s moeten geproportioneerd zijn aan het te verwachten resultaat. Vooral bij ziekten die levensbedreigend zijn, mag men grotere risico’s nemen. Uitvoerig dierexperimenteel onderzoek zal zo mogelijk aan de toepassing in menselijke embryo’s vooraf moeten gaan. Bij het afwegen van de risico’s moet men zich bedenken dat schadelijke gevolgen van ingrepen in de bevruchte eicel zich in alle cellen van het lichaam kunnen manifesteren. Bovendien zullen bij gentherapie tevens de geslachtscellen dragers van erfelijke afwijkingen kunnen worden, zodat ook het nageslacht er de schadelijke gevolgen van zal kunnen ondervinden.

Voor veel typisch menselijke genetische aandoeningen, zijn geen diermodellen voorhanden. In een aantal gevallen is het mogelijk door genmodificatie in het genoom van dieren menselijke genen aan te brengen die voor erfelijke aandoeningen predisponeren en daardoor dierlijke embryomodellenen te creëren, waarin de effectiviteit en de veiligheid van direct-therapeutische ingrepen kan worden onderzocht, voordat die bij menselijke embryo’s wordt toegepast.

image_pdfimage_print