Voor direct-therapeutische experimenten op embryo’s en foetussen is toestemming van hun ouders vereist. The United States Commission for the Protection of Human Subjects is van mening dat ouders toestemming kunnen geven voor indirect-therapeutische experimenten, wanneer het risico ‘minimaal’ is en er grote voordelen voor anderen in de toekomst tegenover staan [: National Commission for Protection of Human Subjects of Biomedical and BehavioraI Research. Research involving children. U.S. Government Printing Office; 1983.]. De Congregatie voor de Geloofsleer wijst er echter in haar instructie over kunstmatige bevruchting op dat ouders dat recht niet hebben,, omdat zij ‘noch over de lichamelijke integriteit noch over het leven van het ongeboren kind kunnen beschikken’ [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I, 4.]. Ouders mogen ook bij een minimaal risico geen toestemming geven voor niet-therapeutische of niet-direct therapeutische experimenten [: W.J. Eijk. Experimenten met embryo’s. In: Sgreccia E, Eijk WJ, editors. Het embryo: Iets of iemand?, Oegstgeest: Colomba; 1997, p. 41.]. De ouders kunnen nooit het recht hebben om hun ongeboren kind als louter gebruiksobject aan een experiment bloot te stellen. Veronderstellingen dat het betreffende ongeboren kind dezelfde beslissing zou hebben genomen zijn pure hypothese. Voor een verantwoord direct-therapeutisch experiment mogen de ouders uiteraard toestemming geven, omdat zij er redelijkerwijs van uit mogen gaan dat het kind dezelfde beslissing zou hebben genomen, als het daartoe in staat zou zijn geweest.
III.5.2 Zeggenschap van de ouders
W.J. Eijk

