Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk III

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

III.5.4 Experimenten met geaborteerde foetussen

W.J. Eijk

Omdat het wettelijk niet is toegestaan onderzoek te doen op foetussen die speciaal voor onderzoek zijn tot stand gebracht, kunnen hiervoor alleen foetussen worden gebruikt die door abortus zijn verkregen. Weefselmateriaal, afkomstig van foetussen die door een spontante abortus zijn verkregen, mag voor wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt, mits de ouders daarvoor toestemming hebben gegeven.

De huidige, bijna wereldwijde abortuspraktijk leidt ertoe dat er veel dode – en in meer mindere mate beschadigde foetussen – beschikbaar zijn. Experimenten op deze foetussen worden wel gelegitimeerd door te stellen dat hun bestaan dan nog ‘enig nut heeft gehad.’ De Congregatie voor de Geloofsleer zegt in Donum Vitae dat deze foetussen gerespecteerd moeten worden als het stoffelijk overschot van menselijke wezens en dat er geen sprake mag zijn van medeplichtigheid aan opzettelijk abortus[1Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I,4.].

De onderzoeker moet onafhankelijk opereren van degene die de abortus verricht. Dat houdt in hij met de aborteur geen afspraken maakt over het tijdstip van de abortus of de wijze waarop wordt geaborteerd, met als oogmerk bepaalde organen of weefsel onbeschadigd in handen te krijgen. In de instructie Dignitas Personae (nr. 35) wijst de Congregatie voor de Geloofsleer erop dat het onafhankelijkheidscriterium alleen onvoldoende is [2Congregatio pro Doctrina Fidei. Instructio Dignitas Personae de Quibusdam Scientiae Bioethicae Quaestionibus. Acta apostolicae Sedis, 2008, 100, 858–887, no. 35.]. De onderzoeker dient zich te distantiëren van wetten waardoor abortus provocatus is toegestaan. Hij moet voorkomen dat de indruk ontstaat dat hij met abortus provocatus instemt. Dit zou kunnen bijdragen aan ‘de groeiende onverschilligheid ten opzichte van zulke handelingen, zo niet de goedkeuring ervan in bepaalde medische en politieke kringen’. Om zich van onrechtvaardige wetten te distantiëren hoeft hij niet de barricades op te gaan, maar in zijn beroepsleven duidelijk laten blijken dat hij de essentiële waarde van het menselijk leven respecteert. Voorts is voor experimenteel onderzoek met weefsels van geaborteerde foetussen een naar verhouding voldoende ernstige reden nodig. Het onderzoek kan gerechtvaardigd zijn, als daarmee medische behandelingen kunnen worden ontwikkeld die voor het leven en gezondheid van mensen van groot belang zijn. Als voorbeeld noemt de Congregatie voor de Geloofsleer het gebruik van vaccins die zijn ontwikkeld op basis van cellijnen, afkomstig van geaborteerde foetussen [3Congregatio pro Doctrina Fidei. Instructio Dignitas Personae de Quibusdam Scientiae Bioethicae Quaestionibus. Acta apostolicae Sedis, 2008, 100, 858–887, no. 35.]. Het gaat hier om de toepassing van het principe van de medewerking aan kwade handelingen van anderen zie hoofdstuk I.2.2.6).

image_pdfimage_print