6.2.2 De zwangerschap overslaan
Wat ectogenese betreft, doen zich verschillende complexe ethische vraagstukken voor.
6.2.2.1 Essentiële bezwaren
Ten eerste is het bij de volledige vervanging van de zwangerschap door de ontwikkeling van het embryo en de foetus in een kunstmatig kweekmedium nodig dat het kind via IVF of ICSI moet worden verwekt, omdat men het embryo in handen moet hebben. Tegen de toepassing van kunstmatige bevruchting zijn er essentiële ethische bezwaren (zie hoofdstuk II.3.2), die uiteindelijk zijn gebaseerd op de wezenlijke relatie tussen huwelijk, seksualiteit en voortplanting. Kunstmatige bevruchting schendt de essentie van de menselijke voortplanting en de rechten van het kind.
Er is tussen de vereniging van de echtgenoten en de voortplanting in de huwelijksdaad een onverbrekelijke band die inherent is aan Gods scheppingsplan. God heeft het huwelijk en de huwelijksdaad zodanig geschapen dat de seksuele vereniging van man en vrouw tegelijkertijd een uitdrukking is van hun wederzijdse liefde en gericht is op het doorgeven van menselijk leven. Deze [: Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum/Halewijn; 2023.]worden van elkaar gescheiden door anticonceptie (seksuele vereniging van man en vrouw zonder voortplanting) en door kunstmatige bevruchting (voortplanting zonder seksuele vereniging). Hierdoor verhinderen man en vrouw de verwezenlijking van Gods scheppingsplan zoals wij dat kennen via de morele natuurwet [: S. Paulus VI. Litterae Encyclicae Humanae Vitae (25-7-1968). Acta Apostolicae Sedis 1968, 60, 481–503, no.13.] [: S. Ioannes Paulus II. Adhortatio Apostolica Familiaris Consortio (22-11-1981). Acta Apostolicae Sedis 1982, 74, 81–191, no. 32.] [: R. Felizarta, A. Magno, D. Suarez Mutia. The implication of ectogenesis for human dignity and bioethics. International Journal of Research and Innovation in Social Science 2023, VII, 370–380 doi:https://dx.doi.org/10.47772/IJRISS.2023.70930.].
Niet alleen de menselijke persoon, maar ook het huwelijk is naar Gods beeld geschapen. God is in Zichzelf een gemeenschap van drie Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die zich volledig aan elkaar geven en elkaar wederzijds ontvangen. Deze gave ligt ten grondslag aan het generatieproces binnen de Goddelijke Drie-eenheid: de Zoon komt uit de eeuwigheid voort uit de Vader en de Heilige Geest uit de Vader en de Zoon [: W.J. Eijk. De band van de Liefde: Katholieke huwelijksmoraal en seksuele ethiek. Utrecht: Kok Boekencentrum; 2022.]. Deze wederzijdse totale gave van de Drie Goddelijke personen wordt weerspiegeld in de wederzijdse totale gave van man en vrouw (vgl. Johannes Paulus II, 2006, 9:3) [: Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum/Halewijn; 2023, no. 1604.]. Het doorgeven van nieuw leven, dat een essentieel onderdeel van deze gave is, is analoog aan het generatieproces binnen de Goddelijke Drie-eenheid [: S. Ioannes Paulus II. Epistula Apostolica Mulieris Dignitatem (15-8-1988). Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 1653–1729, no. 8.]. De essentie van het huwelijk en de essentie van de voortplanting zijn verankerd in Gods wezen en zijn scheppingsplan. Daarom is het de mens niet toegestaan de oorsprong van het leven naar zijn hand te hand te zetten door middel van kunstmatige bevruchting, waardoor beide betekenissen van de huwelijksdaad volledig van elkaar worden gescheiden.
Analoog aan de relaties tussen de Drie Goddelijke Personen in de Drie-Eenheid is het huwelijk een totale wederzijdse zelfgave van man en vrouw. Een totale zelfgave van de mens omvat zijn spirituele, affectieve en lichamelijke dimensies, aangezien hij een wezenlijke eenheid van ziel en lichaam is [: Sacrosanctum Oecumenicum Concilium Vaticanum II. Constitutio pastoralis de ecclesia in mundo huius temporis “Gaudium en spes” (7-12-1965). Acta Apostolicae Sedis 1966, 58, 1025–1120, no. 14.]. Om deze reden kan het kind alleen de vrucht zijn van ouderlijke liefde, van hun totale wederzijdse gave, als het wordt verwekt door de huwelijksdaad, die de authentieke uitdrukking is van deze wederzijdse gave op fysiek niveau.
Voorts wordt het recht van het kind geschonden, als het niet via de huwelijksdaad, maar door middel van een techniek wordt verwerkt. Alleen door het kind te verwekken via de huwelijksdaad kan men een juiste houding aannemen ten opzichte van het kind als menselijke persoon:
Alleen de eerbiediging van de band welke bestaat tussen de betekenissen van de huwelijksdaad en de eerbiediging van de eenheid van het menselijk wezen maken een voortplanting mogelijk overeenkomstig de waardigheid van de menselijke persoon… De menselijke persoon moet aanvaard worden in een gebaar van eenwording en liefde van zijn ouders; het voortbrengen van een kind moet daarom de vrucht zijn van de wederzijdse overgave, welke wordt verwezenlijkt in de huwelijksdaad waarin de echtgenoten als dienaren, en niet als beheerders, deelnemen aan het werk van de liefde van de Schepper. Het ontstaan van een menselijke persoon is in werkelijkheid het gevolg van een gave. Het kind dat ontvangen wordt, moet de vrucht zijn van de liefde van zijn ouders. Het kan niet worden gewild of ontvangen als het product van een technische medische of biologische ingreep… [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, II.B.4.c.].
Wanneer de mens het product is van een techniek en niet de vrucht van de wederzijdse liefde van de ouders, worden beide betekenissen van de echtelijke daad, vereniging en voortplanting, van elkaar gescheiden. Het is ernstige schending van de waardigheid van het kind als het wordt gereduceerd tot een product van een techniek. Wij moeten er niet naar streven om leven te ‘maken’ of te ‘produceren’, maar het te ontvangen als een geschenk van God, in overeenstemming met de bedoelingen waarmee Hij het huwelijk en de voortplanting heeft geschapen.
De tweede en centrale vraag bij ectogenese luidt of het geoorloofd is de gehele zwangerschap over te slaan door een embryo volledig, dat wil zeggen tot stadium waarin het onder gewone omstandigheden geboren zou worden, tot ontwikkeling te brengen in een kunstmatig kweekmedium. Hier doet zich een analogie voor met de situatie waarin een draagmoeder wordt ingeschakeld, die een kind draagt en baart, bijvoorbeeld wanneer de eigen moeder daartoe niet in staat is.
Donum vitae verwerpt draagmoederschap op de eerste plaats, omdat het verblijf van het kind in de baarmoeder van een andere vrouw dan de eigen moeder wordt gezien als een handeling die in strijd is met de eenheid van het huwelijk. Dit argument is uiteraard niet van toepassing op een kunstmatig kweekmedium, waarin de foetus buiten de baarmoeder van zijn moeder groeit en rijpt.
Er is echter een tweede argument dat hier wel op van toepassing is. Dat argument heeft betrekking op de rechten van het kind. Draagmoederschap en, naar analogie, ook de ontwikkeling van het kind in een kunstmatig kweekmedium schenden:
“de waardigheid en het recht van het kind om verwekt, in de baarmoeder gedragen, ter wereld gebracht en opgevoed te worden door zijn eigen ouders; het creëert, ten nadele van gezinnen, een scheiding tussen de fysieke, psychologische en morele elementen waaruit die gezinnen bestaan” [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, II, A, 3.].
Hieruit blijkt het idee dat voortplanting niet alleen de bevruchting omvat, maar ook de verdere ontwikkeling van het kind in de baarmoeder van de moeder tot het moment van de geboorte. De kunstmatige baarmoeder en placenta die aan het einde van de zwangerschap bij een extreem vroeggeboren kind worden toegepast, moeten worden beschouwd als middelen om de zwangerschap tot haar natuurlijk einde te brengen, namelijk de geboorte van een levensvatbaar kind, en dus als een therapeutische handeling. Een kunstmatig kweekmedium, waarin de foetus zich vanaf de bevruchting (of indien mogelijk vanaf een vroeg moment waarop de zwangerschap door abortus wordt beëindigd) ontwikkelt, impliceert daarentegen een vervanging van de zwangerschap, waardoor het kind niet alleen wordt benadeeld in zijn recht om via de huwelijksdaad van zijn ouders te worden verwekt, maar ook in zijn recht om voor zijn verdere ontwikkeling tot de geboorte in de baarmoeder van zijn moeder te worden gedragen. Evenals IVF, dat de echtelijke daad bij de bevruchting vervangt, is ectogenese geen therapeutische handeling.
Donum vitae gaat niet nader in op ectogenese, waarschijnlijk omdat in 1987, het jaar waarin de instructie werd gepubliceerd, de technologie die daarvoor nodig is nog niet beschikbaar was. Niettemin wordt in Donum vitae de ontwikkeling van de kunstmatige baarmoeder ter vervanging van de zwangerschap al voorzien en gekwalificeerd als een schending van de waardigheid en de rechten van het embryo:
“Technieken van in-vitrofertilisatie kunnen de weg vrijmaken voor andere vormen van biologische en genetische manipulatie van menselijke embryo’s, … zoals de hypothese of het project om kunstmatige baarmoeders voor het menselijke embryo te construeren. Deze procedures zijn in strijd met de menselijke waardigheid die eigen is aan het embryo, en tegelijkertijd zijn ze in strijd met het recht van elke persoon om verwekt te worden en geboren te worden binnen het huwelijk en uit het huwelijk” [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Donum Vitae. Instructio de observantia erga vitam humanam nascentem deque procreationis dignitate tuenda. Acta Apostolicae Sedis 1988, 80, 70–102, I, 6.].
Ectogenese maakt in aanvulling op IVF de scheiding tussen de beide betekenissen van de huwelijksdaad als authentieke uiting van de huwelijksliefde op fysiek niveau en de voortplanting nog dieper en reduceert het kind nog drastischer tot het product van een techniek. Ectogenese is daarom ethisch ongeoorloofd.
Er is wel betoogd dat ectogenese in één geval moreel gerechtvaardigd zou kunnen zijn, namelijk om het leven te redden van embryo’s die na een IVF-behandeling in het laboratorium door cryopreservatie bewaard blijven en niet meer in de baarmoeder van de moeder worden geplaatst. De gedachte is dat zij door middel van ectogenese in leven zouden kunnen worden gehouden en vervolgens in aanmerking zouden komen voor adoptie. Voorstanders van ectogenese in deze situatie zijn van mening dat de plaatsing van het embryo in de baarmoeder van de adoptiemoeder, die het na geboorte samen met haar echtgenoot zal opvoeden, dezelfde morele bezwaren oproept als de plaatsing ervan in de uterus van een draagmoeder (‘heterologous embryo transfer’). De verdere ontwikkeling door ectogenese zou onder deze omstandigheden het enige middel zijn om het embryo in leven te houden en als zodanig ethisch gerechtvaardigd kunnen zijn. Wel zou er dan een volledige scheiding moeten zijn tussen de IVF-procedure en de ectogenese en moet wie ectogenese toepast om embryo-adoptie mogelijk te maken duidelijk IVF afwijzen om scandalum te voorkomen, dat wil zeggen de schijn te wekken dat hij medewerking aan IVF, een intrinsiek kwade handeling, zou verlenen [: D.T. Reiber. The morality of artificial womb technology. The National Catholic Quaterly 2010, 10, 515–527.].
Op de eerste plaats is het de vraag of het om een realistische optie gaat. Kunnen er genoeg adoptieouders worden gevonden voor het grote aantal overtollige embryo’s? Het aantal gecryopreserveerde embryo’s in laboratoria is zeer hoog. Het is alleen al in 2024 in het Verenigd Koninkrijk geschat op ongeveer 500.000 [: Z. Yue, C. MacKellar. A quantitative analysis of stored frozen surplus embryos in the UK. New Bioeth. 20240626 ed 2024, 30, 173–190 doi:10.1080/20502877.2024.2354979.]. Het is vrijwel ondoenlijk om voor al deze embryo’s adoptiemoeders te vinden. Op de tweede plaats zal ectogenese, gezien de risico’s – vooral in de experimentele fase – en de hoge kosten die ermee gemoeid zijn, een ongeproportioneerde handeling zijn om deze embryo’s in leven te houden. Daarom is het in ieder geval niet verplicht om ectogenese voor dit doel te gebruiken.
Tenslotte is er geen morele verplichting om overtollige embryo’s te redden omwille van het feit dat ze anders gedood zouden worden door het stoppen van de cryopreservatie. Het stoppen van de cryopreservatie betekent dat de embryo’s zullen sterven. Dit is echter op zichzelf geen directe beëindiging van het leven, maar het staken van een niet-proportionele en misschien zelfs disproportionele vorm van levensverlengende behandeling.
6.2.2.2 Andere bezwaren die tegen ectogenese worden ingebracht
Tenslotte zijn er enkele bezwaren van uiteenlopende aard ingebracht tegen ectogenese. Die bezwaren betreffen de implicaties van het overslaan van zwangerschap en geboorte op het recht op abortus, op de genderrol van vrouwen en op de manier waarop zwangerschap en de moeder-kindband worden gezien. Deze bezwaren zijn uiteraard zeer speculatief, aangezien ectogenese naar verwachting pas over enkele decennia mogelijk zal zijn.
Voorstanders van abortus vrezen dat het gebruik van technieken met kunstmatige baarmoeders en placenta’s het recht op abortus aantast en de abortuswetgeving zou kunnen ondermijnen. Dit bezwaar berust overigens niet op een analyse van de bezwaren tegen ectogenese vanuit katholiek perspectief. In de abortuswetgeving van verschillende landen, waaronder Nederland (Wetboek van Strafrecht, art. 82a), ligt de uiterste grens van het recht op abortus op het moment dat de foetus levensvatbaar wordt geacht. Met het gebruik van kunstmatige baarmoeder- en placentatechnologieën na een keizersnede of bevalling zal het over een paar jaar wellicht mogelijk zijn om pasgeborenen vanaf 22 weken in leven te houden. Dit zet de grens van 24 weken onder druk. Het wordt nog moeilijker als ectogenese het op een dag mogelijk zou maken om de ontwikkeling van embryo’s buiten de baarmoeder te doen plaatsvinden, misschien zelfs vanaf de bevruchting. Dan leidt een abortus niet automatisch tot de dood, als de gebruikte methode het tenminste mogelijk maakt het embryo in leven te houden. Abortus provocatus zou dan twee beslissingen impliceren. Ten eerste de beslissing om het uit de baarmoeder verwijderen van het embryo en ten tweede de beslissing het te laten sterven of het in leven te houden door middel van ectogenese. Dan zou het embryo al vroeg in de zwangerschap of vanaf de conceptie levensvatbaar zijn en is de grens van levensvatbaarheid die momenteel in de abortuswetgeving wordt gehanteerd niet langer van toepassing. Voorstanders van het recht op abortus vrezen dat tegenstanders de verschuiving van de grens van levensvatbaarheid zouden kunnen gebruiken om dit recht te ondermijnen en op basis daarvan bestaande abortuswetten in te perken.
Overigens zijn Roger en Blackshaw van mening dat de impact van ectogenese op de frequentie van abortus beperkt zal zijn. De meeste vrouwen die voor abortus kiezen, wensen hoogstwaarschijnlijk geen toekomst voor hun kind via adoptie. Bovendien is het hoogst onwaarschijnlijk dat ze daartoe gedwongen zouden worden. Het verlagen van de vitaliteitsgrens door middel van ectogenese heeft ook weinig invloed op de abortusfrequentie, aangezien 90% van alle abortussen in landen met een hoog inkomen plaatsvindt vóór de 13de week [: D. Rodger, B.P. Blackshaw. Detached From Humanity: Artificial Gestation and the Christian Dilemma. , 2024:30(2):, https://doi.org/10.1093/cb/cbae002. Christian bioethics: Non-Ecumenical Studies in Medical Morality 2024, 30, 85–95, p. 87–88 doi:https://doi.org/10.1093/cb/cbae002.].
Heeft de mogelijkheid om zwangerschap over te slaan door middel door ectogenese gevolgen voor de genderrollen van vrouwen? Ten aanzien van deze vraag zijn er twee uiteenlopende verwachtingen.
In haar bekende boek uit 1970, The Dialectic of Sex, beschouwde de feministe Shulamith Firestone – naast anticonceptie – ‘kunstmatige voortplanting’ als een middel om vrouwen te bevrijden van ‘de tirannie van hun reproductieve biologie’ [: S. Firestone. The Dialectic of Sex. The Case for Feminist Revolution. revised edition (1ste ed. 1970) ed, New York: Bantam Books; 1972, p. 206.]. Uit de context blijkt duidelijk dat ze met kunstmatige voortplanting een technisch alternatief voor zwangerschap bedoelde. Dit alternatief zou gelijkheid tussen mannen en vrouwen tot stand brengen, in die zin dat het ‘een meer gelijkmatige verdeling van ‘arbeid’ zou creëren, waarbij vrouwen tijdens de zwangerschap zouden kunnen blijven werken’ [: A. Prahsat. How artificial wombs will change our ideas of gender, family and equality. The Guardian 2017.]. Zwangerschap brengt pijn, lijden en het risico op morbiditeit met zich mee. Smajdor is van mening dat vrouwen niet eenzijdig de zwaarste lasten van de voortplanting moeten dragen:
In plaats van de verantwoordelijkheid bij vrouwen te leggen om kinderen te krijgen op momenten die aansluiten bij de belangen van de samenleving in plaats van bij de individuele belangen van vrouwen, zouden we technische alternatieven voor zwangerschap en bevalling kunnen bieden, zodat vrouwen niet langer onterecht verplicht zijn om als enige risico’s te nemen bij de voortplanting. Kortom, wat nodig is, is ectogenese [: A. Smajdor. The moral imperative for ectogenesis. Camb Q Healthc Ethics 2007, 16, 336–45, p. 336–337 doi:10.1017/s0963180107070405.].
Zij beschouwt de ontwikkeling van ectogenese dan ook als een kwestie van rechtvaardigheid jegens vrouwen. Overigens zou ectogenese ook voordelig kunnen zijn voor mannen: alleenstaande mannen zouden kinderen kunnen krijgen (met een donoreicel of wellicht in de toekomst met eicellen geproduceerd uit stamcellen van hun eigen lichaam (zie Hoofdstuk V.3.2.), zonder dat een vrouw moet worden ingeschakeld om een eicel te doneren.
Er is echter nog een andere interpretatie van de implicaties van het toepassen van ex utero-kweek om de zwangerschap helemaal over te slaan. Dit zou ertoe leiden dat de vrouw verliest wat specifiek is voor haar genderrol. Dit is het dragen van haar kind tijdens de zwangerschap in haar baarmoeder en de bevalling. Zo gaat iets verloren dat de vrouwelijke genderrol bijzonder kostbaar maakt en worden man en vrouw op één lijn geplaatst. Rowlands merkt op: ‘Vrouwen zouden de ervaring van de zwangerschap en de geboorte verliezen als iets wat voor hen uniek is’ [: R. Rowland. A child at any price? An overview of issues in the use of the new reproductive technologies, and the threat to women. Women’s Studies International Forum 1985, 8, 539–546.]. De maatschappelijke opvattingen over moederschap en daarmee over het gezin zouden ingrijpend kunnen veranderen.
Er zijn ook zorgen over de impact van het overslaan van zwangerschap en bevalling door ectogenese op hoe zwangerschap en het baren van kinderen worden gezien. Zou ectogenese, gezien de risico’s die aan de zwangerschap verbonden zijn, uiteindelijk niet de voorkeur krijgen? Zou dat niet leiden tot een ‘geleidelijke pathologisering van zwangerschap en bevalling?’ [: D. Rodger, B.P. Blackshaw. Detached From Humanity: Artificial Gestation and the Christian Dilemma. , 2024:30(2):, https://doi.org/10.1093/cb/cbae002. Christian bioethics: Non-Ecumenical Studies in Medical Morality 2024, 30, 85–95, p. 86 doi:https://doi.org/10.1093/cb/cbae002.]. Zouden als gevolg daarvan haar omgeving, medisch personeel en de samenleving geen druk op de vrouw uitoefenen om af te zien van zwangerschap en bevalling?
Een ander punt van zorg is dat het overslaan van de zwangerschap door middel van kunstmatige baarmoeders de band tussen moeder en kind zou kunnen verzwakken (Rosen 2003, 73). Voor de ontwikkeling van de band tussen de ouders en hun kind blijkt de prenatale periode van groot belang. Al vanaf de jaren ’40 van de vorige eeuw is hier veel onderzoek naar gedaan. Op basis van een uitgebreid literatuuronderzoek concluderen Trombetta en Giordano:
Deze bevindingen ondersteunen de hypothese dat de hechtingsband zich al tijdens de zwangerschap begint te ontwikkelen door de vorming van gevoelens, fantasieën en mentale voorstellingen van het ongeboren kind, die van invloed zijn op de relatie met het echte kind na de geboorte. Prenatale hechting heeft invloed op de affecten en cognities van de ouders, evenals op hun dagelijkse interacties met het kind tijdens de vroege postnatale periode, en bevordert het tot stand komen van vroege, veilige en gezonde relaties die geassocieerd bleken te zijn met positievere uitkomsten in de ontwikkeling van het kind en de postnatale hechting tussen kind en ouder [: T. Trombetta, M. Giordano, F. Santoniccolo, L. Vismara, A.M. Della Vedova, L. Rollè. Pre-natal Attachment and Parent-To-Infant Attachment: A Systematic Review. Frontiers in Psychology. Frontiers in Psychology 2021, 12 doi:doi: 10.3389/fpsyg.2021.620942.]
Conclusie
Ectogenese is geen therapeutische handeling die de verdere ontwikkeling van het kind mogelijk maakt, maar een vervanging van de zwangerschap. De ontwikkeling van het kind in de baarmoeder is een integraal onderdeel van de voortplanting. Wat geldt voor de vervanging van de echtelijke daad door een techniek bij de conceptie van het kind, geldt ook voor de vervanging van het verblijf van het kind in de baarmoeder door een ontwikkeling in een kunstmatig kweekmedium. Dit laatste is geen therapeutische handeling die de voortplanting tot haar natuurlijke doel brengt, maar de vervanging van een integraal onderdeel ervan. De mens werpt zich daarmee op als heer en meester over de gave van het leven, wat in strijd is met Gods scheppingsplan, en reduceert het kind tot een product. Ectogenese is daarom ethisch ongeoorloofd.
Daarentegen is de toepassing van kunstmatige baarmoeder- en placentatechnologieën aan het einde van de zwangerschap om een extreem te vroeg geborene in leven te houden, wat het morele object betreft, een therapeutische handeling. De toepassing van deze technieken zijn erop gericht de zwangerschap tot haar natuurlijke doel te brengen en doen daardoor recht aan het jegens de pasgeborene verschuldigde respect als een geschenk van God.

