Uiteraard is ook de geest van de mens een intrinsieke dimensie die specifieke aandacht en zorg nodig heeft. De kwaliteit van leven heeft ook spirituele aspecten. De zorg voor een waardig leven en een waardig sterven impliceert ook aandacht voor het spirituele welzijn. Een goede pastorale begeleiding – zeker bij een christen – is daarom onontbeerlijk.
Het gebruik van het begrip kwaliteit van leven door de seculiere ethiek en de katholiek-christelijke ethiek en moraaltheologie stemt deels met elkaar overeen, waar het gaat om de accidentele kwaliteit van leven, zoals bij (niet)behandelbeslissingen. Wel krijgt de accidentele kwaliteit van leven, zeker waar het gaat om de spirituele aspecten ervan, binnen het christelijk mensbeeld een rijkere inhoud en lading dan het geval is in de seculiere ethiek, al is het niet zo dat de laatste voor de morele en spirituele krachten van de mens totaal geen aandacht.
De morele en spirituele krachten die mede bepalend zijn voor de kwaliteit van leven en het waardig leven, betreffen de deugden van de mens. Een aantal deugden verwerft de mens op eigen kracht, met name de kardinale deugden: prudentie, sterkte, matigheid en rechtvaardigheid (zie Hoofdstuk I.3.1). Een prudente patiënt kan zich op basis van zijn gezonde verstand een indruk vormen van wat een geproportioneerde behandeling is. Hij leeft met een evenwichtige kijk op de werkelijkheid. Een patiënt die de deugd van de rechtvaardigheid heeft, verlangt van de gezondheidzorg die behandeling die in alle billijkheid verwacht kan worden. Moed stelt een patiënt in staat om de vervelende consequenties van een levensverlengende behandeling te aanvaarden, maar ook om te aanvaarden dat medische behandelingen geen soelaas meer bieden en om dan niet in overmoed (of wanhoop) door te schieten. Specifiek christelijk is de overtuiging dat God deze deugden kan aanvullen en vervolmaken door de kracht die Hij geeft in de vorm van de goddelijke deugden (geloof, hoop en liefde) en de zeven gaven van de Heilige Geest (kennis en verstand, wijsheid en sterkte, liefde en ontzag voor Zijn naam). Deze morele en spirituele krachten zijn vanuit christelijk perspectief voor een goede kwaliteit van leven en voor een waardig leven en sterven onmisbaar.
Om deze spirituele groei door de deugdenvorming te bewerkstelligen heeft de mens ook de hulp van medemensen nodig. Het is de opdracht van elke christen krachtens het doopsel en het vormsel om medemensen in die groei bij te staan, door (geloofs)opvoeding, begeleiding, morele ondersteuning en de eigen christelijke levensstijl. Deze opdracht regardeert daarom alle christelijke medewerkers in de gezondheidszorg. Maar zoals in de Kerk als geheel zijn er ook in de zorg mensen die specifiek die taak vervullen op basis van een wijding als priester of diaken of met een pastorale zending van de plaatselijke bisschop als pastoraal werker of geestelijk verzorger. Voor al deze geestelijke verzorgers geldt dat zij zich in principe richten op de zieke in al zijn aspecten: lichamelijk, psychisch, sociaal en spiritueel. Daarnaast hebben zij – evenzeer als de andere werkers in de gezondheidszorg – een specifieke taakstelling, gericht op de geestelijke bijstand en geestelijk groei van degenen die aan hun pastorale zorgen zijn toevertrouwd.
1.4.1 Het doel van pastorale zorg bij zieken en stervenden
Met pastorale begeleiding van zieken en stervenden wil men bereiken dat zij in vertrouwen op de bijstand van de Heilige Geest en gesterkt door Zijn gaven hun lijden in hun leven kunnen integreren en het in vereniging met de lijdende Christus dragen. Lijden is uiteindelijk altijd de pijn vanwege de scheiding tussen God en de mens. Het dieptepunt van Jezus’ lijden wordt bereikt als Hij zich aan het kruis zijn godverlatenheid realiseert: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Mt. 27,46). Lijden in welke vorm ook is altijd een manifestatie van een onvervuld verlangen naar het absolute, God zelf en daarmee een onvervulde liefde waar de mens mee worstelt. Door de vereniging met Christus in diens verlossend lijden is het mogelijk tot een diep contact met God te komen [: S. Ioannes Paulus II. Epistula Apostolica Salvifici Doloris (11-2-1984). Acta Apostolicae Sedis, Rome 1984, 76, 201–250.].
Om zich met Christus in Diens lijden te verenigen heeft iemand die lijdt en/of stervende is, goddelijke deugden van geloof en hoop nodig en als gaven van de Heilige Geest moed en sterkte. Het gaat hierbij uiteraard niet om zomaar “flink” te zijn. Thomas van Aquino heeft het klassieke Griekse mannelijkheidsideaal van de moed en de martelaarsmoed van de Kerkvaders tot een vruchtbare synthese gebracht [: W.J. Eijk. Het Griekse mannelijkheidsideaal geconfronteerd met de moed van de christen. Communio 1998, 23, 339–355.]. Dat deed hij met de vaststelling dat de eerste handeling van de moed niet het handelend optreden is, maar het verdragen van vrees [: Thomas Aquinas. Summa Theologiae. II, II, 123, 6.]. Het meest onverdraaglijke fenomeen waarmee lijden, in de kern Godverlatenheid, zich manifesteert, is vrees of – in meer existentiële zin – angst. Doel van de moed is niet dat vrees of angst worden onderdrukt, maar bewust aan de realiteit worden geproportioneerd en in het leven geïntegreerd. Dit proportioneren aan de realiteit kan echter bij menselijkerwijs gesproken uitzichtloos lijden alleen een begaanbare weg zijn, wanneer men het eschatologisch perspectief van de eeuwigheid als realiteit ziet. Het lijden heeft immers in zich geen zin. Daarom zegt Thomas dat niemand het lijden in zich kan aanvaarden. Het lijden kan de mens alleen een plaats geven uit liefde omwille van een hoger doel. Als de kern van het lijden de gekwetste liefde tussen de mens en zijn Schepper is, dan kan men alleen de weg van het lijden opgaan als er een uitzicht is dat die liefde hersteld kan worden. Dit is de belofte van Christus’ kruis. Omdat deze liefde voor de mens op eigen kracht onbereikbaar is, is de liefde uiteindelijk een gave in de vorm van een theologale deugd en zijn geduld en volharding, beide nodig om het lijden te dragen, zonder de hulp van Gods genade onmogelijk [: T. Aquinas. Summa Theologiae. Paris 1265, II, II, 136, 3 en 137,4.]. Het is niet voor niets dat de Heilige Schrift een nauwe relatie legt tussen moed en hoop [: A. Gauthier. La force. Initiation Théologique. 2nd ed, Paris: Les Éditions du Cerf; 1955, 3, 960–978.].
De vereniging met Jezus is de weg om deel te krijgen aan zijn dood en verrijzenis en zo de brug, het kruis, op te gaan die ons met God verbindt. De hoogste vorm van vereniging met hem wordt gerealiseerd in het sacrament van de Eucharistie. Denkend over de dood van zijn moeder op Witte Donderdag, de dag van de instelling van de Eucha¬ristie schrijft Henry Nouwen aan zijn vader:
‘De Eucharistie is het centrum van mijn leven en al het andere krijgt zijn betekenis vanuit dit centrum … Wat heeft dit alles te maken met moeders dood en met onze dood? Heel veel, denk ik … Je weet beter dan ik hoe belangrijk de Eucharistie voor moeder was … we wisten allen dat haar dagelijkse deelneming aan de Eucharistie het centrum van haar leven was … Gedurende onze weinige jaren van bewuste deelname aan de Eucharistie worden ons leven en onze dood deel van deze steeds doorgaande verkondiging van het leven en de dood van Christus. Daarom durf ik te zeggen dat elke keer dat ik de Eucharistie vier en elke keer dat jij het lichaam en bloed van Christus ontvangt, we niet alleen Christus’ dood maar ook haar dood gedenken, omdat het juist door de Eucharistie was dat zij met Hem zo innig verbonden was [: H.J.M. Nouwen. A letter of consolation. San Francisco: Harper and Row; 1982.].’
Ook het mediteren over de Blijde Boodschap brengt ons op deze weg. De bekende Nederlandse heilige Lidwina van Schiedam (1380-1433) was, nadat zij als vijftienjarig meisje bij het schaatsen op het ijs was gevallen, achtendertig jaar lang bedlegerig. Aanvankelijk bleef zij morren en klagen en was zij voor haar directe omgeving een grote belasting. Doordat zij op advies van de kapelaan van haar parochie, Jan Pot, over het lijden van Jezus ging mediteren, veranderde zij geleidelijk maar radicaal in een gerijpte vrouw die voor velen een steun, toeverlaat en raadsvrouw werd. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat het christelijk geloof niet het lijden in zich verheerlijkt, maar zich richt op de vorming van de menselijke persoon als geheel.
Bovendien blijkt hieruit dat de vereniging met Jezus geen therapie voor het kwaad is. Als Augustinus en Thomas spreken over het genezend aspect van het lijden, denken zij niet aan het verhelpen van het kwaad dat het lijden veroorzaakt. Het grootste probleem van het lijden is niet het kwaad in zich, maar de innerlijke houding van de mens tegenover het kwaad, of beter zijn positie ten opzichte van de gekwetste liefde jegens God. Het kwaad is slechts een gevolg hiervan (zie ook Hoofdstuk I,2; Inleiding). De situatie kan veranderen door daarom te bidden, maar het gaat in de eerste plaats om een verandering van de mens zelf. Wie alleen zijn situatie veranderd wil zien, maar zelf buiten schot blijven, moet niet denken dat God weigert te luisteren en te verhoren: hijzelf is degene die niet luistert naar de essentie van het Evangelie, dat het innerlijk van de mens op het oog heeft. Met deze houding zal hij nooit begrijpen wat Jezus bedoelt als Hij zegt: ‘Ik sta aan de deur en ik klop, als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnengaan en maaltijd met houden en hij met Mij’ (Ap. 3,20).
Het is evident dat dit doel – zeker in een geseculariseerde samenleving – niet zomaar valt te verwezenlijken. Men kan medemensen, zeker wanneer ze met het Evangelie weinig of niet vertrouwd zijn, niet zonder meer aanraden om zich met Jezus in Diens lijden te verenigen. Maar los van de secularisering zal ook bij mensen die hun geloof praktiseren, daarbij de nodige prudentie en het nodige geduld moeten worden betracht.
Op de eerste plaats is de innerlijke omvorming van een mens, feitelijk een deugdenvorming, meestal een kwestie van lange adem, waarbij men ieder mens zijn eigen tempo moet gunnen. Een mooi en tekenend voorbeeld daarvan vinden we in het dagboek van Etty Hillesum, waarin deze haar innerlijke geestelijke groei beschrijft die ze onderging tijdens haar internering in het doorvoerkamp Westerbork. Terwijl ze in de vooroorlogse jaren als enigszins egocentrische, wisselvallige en licht depressieve vrouw een wild leven met tal van seksuele verhoudingen heeft geleid, groeit ze tijdens haar internering in het doorvoerkamp Westerbork uit tot een standvastige persoon opgewassen tegen het ergste. Dat gebeurt – zoals ze zelf aangeeft – door het lezen van het Oude Testament, met name van de psalmen die hoewel poëzie van ver vóór onze jaartelling ook de mens van nu op het lijf geschreven staat [: K.A.D. Smelik. Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943. Amsterdam: Uitgeverij Balans; 1986.]. Haar innerlijke omvorming draagt zichtbare vruchten: zij uit geen spoor van verbittering jegens de Duitse kampbewakers of God, maar vraagt zich in alle nuchterheid en zonder enige overdrijving wat haar verantwoordelijkheid is.
‘Er vallen van minuut tot minuut meer wensen en verlangens en gebondenheden aan anderen van me af, ik ben bereid tot alles, tot iedere plek op deze aarde, waar God me zenden zal en ik ben bereid tot in iedere situatie en tot in de dood te getuigen, dat dit leven schoon en zinrijk is en dat het niet aan God ligt, dat het zo is als het nu is, maar aan ons [: K.A.D. Smelik. Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943. Amsterdam: Uitgeverij Balans; 1986.].’
Wat ook tijd vergt, eigenlijk een heel mensenleven, is de zuivering van het godsbeeld. Omdat de kern van het lijden de verwijdering van God is, gaat het gemakkelijk gepaard met een verkeerd godsbeeld. Pas als het diepste verlangen naar God gezuiverd is en het verkeerde godsbeeld stukgelopen op de ontmoeting met Hem zoals Hij is, kunnen lijden en kruis, die in zich geen zin hebben, zin geven aan het leven. Job die ondanks alle tegenslagen zijn geloof behoudt, zegt aanvankelijk: ‘Maar hij luistert niet eens naar mijn roepen, al weet ik zeker dat Hij me hoort’ (Job 9,16). Later erkent hij: ‘Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik u gezien met eigen ogen’ (Job 42,5) [: H. Arts. Waarom moeten mensen lijden? 2e ed, Leuven: Davidsfonds,; 1993.]. Het is door het lijden dat de mens Gods grootheid en de eigen kleinheid leert kennen. Het gaat hier om een weg die de mens dwingt zijn kleinheid onder ogen te zien en zich te bukken om het nauwe poortje te kunnen passeren (Mt. 7,13-14), een toegang die feitelijk de Heer Zelf in Zijn lijden, dood en verrijzen voor ons heeft gebaand (vgl. Joh. 10,9).

