1.4.2 Mogelijkheden en grenzen van pastorale zorg
De geestelijk verzorger kan zieken met Christus in contact te brengen door hen Christus te verkondigen, door pastorale gesprekken, door met hen te bidden, het uitreiken van de Eucharistie en ook door de ziekenzalving wanneer het een priester betreft. De mogelijkheden en de grenzen daarvan worden bepaald door een aantal factoren:
- De ruimte die de zieke in kwestie daarvoor geeft aan de geestelijk verzorger;
- De mate waarin de geestelijk verzorger ervaring heeft, deskundig is en zelf in zijn geloof is gerijpt;
- De organisatie van de pastorale zorg in een instelling voor gezondheidzorg.
Op de eerst plaats moet de geestelijk verzorger deze opdracht verwezenlijken binnen de ruimte die de zieke hem daarvoor geeft. In dit opzicht dient de wil van de zieke te worden gerespecteerd, zoals God Zelf de vrijheid van mens respecteert. Deze ruimte wordt mede bepaald door de mate waarin het geloofsleven van de zieke is gerijpt. In een geseculariseerde samenleving zijn slechts weinigen direct toegankelijk voor een geloofsgesprek.
Een eerste contact dat niet over geloofsvragen gaat, kan na kortere of langere tijd daarvoor echter wel een opstap zijn. Zoals gezegd heeft ook de geestelijk verzorger aandacht voor de zieke in al zijn facetten. Om te beginnen is de geestelijke verzorger begaan met de zorgen, de vrees, de onzekerheid en het lijden waarmee de zieke worstelt. Dit is sowieso het eerste aanknopingspunt en als de zieke niet meer ruimte biedt, zal het ook daarbij blijven. Existentiële vragen bieden echter vaak een opening voor een gesprekken over diepere levens- en geloofsvragen, die anders wellicht niet aan de orde zouden zijn gekomen. Bovendien begint geestelijke groei, zoals boven beschreven, bij de vorming van menselijke deugden. Moed inspreken hoort ook bij pastorale zorg. De geestelijk verzorger kan een zieke bijstaan in het nemen van een prudente beslissing inzake een (niet)behandelbeslissing. Nog zonder dat strikte geloofsvragen aan bod komen, is er ook op puur menselijk vlak een geestelijk zorgaanbod. Het mag echter niet zo zijn dat geloofsvragen een zorgvuldig vermeden onderwerp zijn in de pastorale begeleiding, hetgeen wel voorkomt als de geestelijk verzorger zelf geseculariseerd is.
Mogelijkheden en grenzen voor een vruchtbare pastorale begeleiding zijn er ook van de kant van de geestelijk verzorger. Zeker als hij pastoraal werk in een zorginstelling hoofdtaak is, dient hij een Klinisch Pastorale Training te hebben gevolgd en zich regelmatig te laten bijscholen. Wat betreft de professionele scholing moet echter een zeker risico worden gesignaleerd: soms blijft professionele training steken in een eenzijdig psychologische of psychotherapeutische benadering. Hoewel pastorale begeleiding ook een helend aspect heeft en de geestelijk verzorger samen met de overige medewerkers in de gezondheidszorg – zij het vanuit een eigen invalshoek – verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de zieke, moet zij niet verworden tot louter therapeutische begeleiding. Pastoraat is geen therapie, maar verkondiging. Het helend aspect van de pastorale begeleiding betreft uiteindelijke de heling van de relatie met God.
In dit verband is onontbeerlijk dat de geestelijk verzorger zelf een gerijpt geloofsleven, een christelijke spiritualiteit, een persoonlijk gebedsleven en contact met de Heer heeft: nemo dat quod non habet (niemand geeft wat hij niet heeft).
Een derde factor die bepalend is voor de ruimte die een geestelijk verzorger heeft is de organisatie van de pastorale zorg in een instelling voor gezondheidszorg. In de Nederlandse zorginstellingen krijgt een geestelijk verzorger meestal niet de patiënten van de eigen denominatie toegewezen, maar een aantal afdelingen, waar hij in principe de pastorale zorg heeft voor alle patiënten die daar verblijven, ongeacht hun denominatie. Weliswaar zal hij ook met patiënten van de eigen denominatie op andere afdelingen contact hebben, als zij uitdrukkelijk daarom vragen, maar dat neemt niet weg dat hij ook zorg moet bieden aan mensen met andere levensbeschouwingen. Hij wordt terecht geacht daar respect voor te hebben, maar hij kan niet in hun opvatting meegaan, als die haaks staan om die van de Kerk die hem heeft gezonden. De plaatselijke bisschop geeft aan een geestelijke verzorger een pastorale zending die inhoudt dat deze het christelijk geloof uitdraagt. De organisatie van de pastorale zorg in de Nederlandse instellingen voor gezondheidszorg maakt de verwezenlijking van de pastorale zending niet eenvoudig. Het verdient de voorkeur dat geestelijk in principe contact onderhouden met patiënten van de eigen denominatie, hetgeen echter niet uitsluit dat ook anderen desgewenst een beroep op hen kunnen doen.
Op basis van het subsidiariteitsbeginsel (zie Hoofdstuk I.2.2.5) mag men verwachten dat de overheid via wettelijke regelingen een pastorale organisatie in instellingen voor gezondheidszorg realiseert, die het de kerken mogelijk maakt om vanuit hun eigen geloofsperspectief geestelijke zorg aan te bieden. Genoemd principe vergt immers dat overkoepelende overheden groepen in de samenleving in staat stelt om op eigen kracht hun bijdrage aan het algemeen welzijn (bonum commune) te leveren. En pastorale zorg is een bijdrage aan het algemeen welzijn, doordat zij grote groepen mensen bereikt en zowel op algemeen menselijk als op religieus gebied bijstaat om waardig te kunnen leven en sterven.

