Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk VI

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

VI.1.4 De pastorale begeleiding van stervenden

W.J. Eijk, F.J. van Ittersum

1.4.4 Resultaten of vruchten van pastorale begeleiding

Wat is de bijdrage van pastorale begeleiding aan het waardig leven en sterven? Binnen het kader van de introductie van de marktwerking in de gezondheidszorg wordt het DBC-systeem (Diagnose-Behandel-Combinatie) gehanteerd om de kosten te drukken. De bedoeling is dat vanaf de diagnostiek tot en met het eindpunt van de behandeling de kosten nauwkeurig worden geregistreerd. Voor sommige kosten bestaan add-ons op de DBC: dat zijn verrichtingen waardoor voor de DBC een hogere vergoeding mogelijk is. Pastorale zorg wordt niet als add-on vergoed. Het ziekenhuis heeft dus de keus om uit het ziekenhuisbudget geld vrij te maken pastorale zorg. De moeilijkheid in dit opzicht is dat de resultaten van pastorale begeleiding niet zomaar meetbaar zijn, zoals dat bij een medische behandeling – tot op zekere hoogte – wel mogelijk is. Het is trouwens beter om bij pastorale begeleiding niet van resultaten te spreken, maar van vruchten, omdat de uitkomst ervan geen effect van een techniek is, afhankelijk is van de bereidheid van de patiënt om die te aanvaarden en vaak pas via een geleiding rijpingsproces tot zijn recht komt.

Er is wel onderzoek gedaan naar de invloed die religie heeft op de kwaliteit van leven. Op basis van uitlatingen van wetenschappers en een aantal fenomenen zou men de indruk kunnen krijgen dat die invloed negatief is. Freud was van mening dat religie een neurotiserend effect heeft. Klinische en pastorale ervaring wijzen uit dat vermeende verschijningen en openbaringen en schuldgevoelens met een religieuze lading in de psychopathologie regelmatig voorkomen. Betekenen deze religieuze of religieus getinte ervaringen dat religie op de kwaliteit van leven geen gunstige uitwerking heeft? Om deze vraag te kunnen beantwoorden is het nodig onderscheid te maken tussen intrinsieke en extrinsieke religiositeit [22G.W. Allport and J.M. Ross. Personal religious orientation and prejudice Journal of Personality and Social Psychology 1967, 5, 432–443.]. De religiositeit is intrinsiek bij iemand die zijn geloof een centrale plaats geeft en integreert in het leven en de waarden van zijn geloofsovertuiging – liefde, barmhartigheid en vergevingsgezindheid – laat prevaleren boven andere. Bij een extrinsieke religiositeit hangt de betrokkene een religie aan uit utilistische motieven, bijvoorbeeld omdat dat bijdraagt aan zijn sociale positie of daardoor zijn imago verbetert; tevens kan het lidmaatschap van een geloofsgemeenschap voordelen inhouden doordat zij haar leden ondersteuning geeft en de mogelijkheid om aan eenzaamheid te ontkomen. In dit geval heeft religie een instrumentele, maar geen intrinsieke waarde. Niet de eredienst aan God, maar persoonlijke belangen staan centraal, terwijl bij een mens met een intrinsieke religiositeit de eer aan God op de voorgrond staat en niet wat hij van God krijgt. Bij de meesten van ons heeft religiositeit een gemengd karakter en zijn er naast intrinsieke tevens extrinsieke motieven om te geloven. In de afgelopen vijftig jaar zijn er vele onderzoeken gedaan naar de relaties tussen religieuze identiteit en psychische aandoeningen. Uit tweederde tot drievierde hiervan blijkt dat mensen psychisch gezonder zijn en beter met stress kunnen omgaan als ze religieus zijn (de meeste mensen bij wie dit onderzocht is, zijn christenen, maar niet uitsluitend) [23H.G. Koenig. Religion, spirituality, and medicine: application to clinical practice. Journal of the American Medical Association 2000, 284, 1708.] [24H.G. Koenig. Religion and medicine II: religion, mental health, and related disorders. The International Journal of psychiatry in medicine 2001, 31, 97–109.] [25H.G. Koenig, D.B. Larson and S.S. Larson. Religion and coping with serious medical illness. The Annals of Pharmacotherapy 2001, 35, 352–359.] [26M.E. McCullough and D.B. Larson. Religion and depression: a review of the literature. Twin Research 1999, 2, 126–136.] [27A.M. Nicholi. A new dimension of the youth culture. American Journal of Psychiatry 1974, 131, 396–401.] [28B.Y. Lee and A.B. Newberg. Religion and health: a review and critical analysis. Zygon 2025, 40, 443–468.]. Aandacht voor zingeving en religie is in Nederland ook in GGZ-standaarden opgenomen, [29Federatie Vaktherapeutische Beroepen, Landelijke Vereniging POH-GGZ, MIND Landelijk Platform Psychische Gezondheid, Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP), Vereniging van Geestelijk VerZorgers (VGVZ) and Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN). Zorgstandaard. Zingeving in de psychische hulpverlening. 2023.] en wordt door sommige zorgverzekeraars ondersteund. Overigens wijzen deze onderzoeken niet uit dat mensen die godsdienstig worden in de hoop op verbetering van hun conditie, daarvan het gewenste profijt hebben getrokken. Dit zou trouwens een manifest extrinsiek motief zijn om zich te bekeren. Welke zijn de oorzaken van deze positieve correlatie? Door haar positieve wereldbeschouwing kan religie zowel aan positieve als negatieve ervaringen zin geven. Het geloof dat de wereld voor mensen geschapen is, maakt dat de wereld overkomt als persoonlijk en in beginsel mensvriendelijk. Daarentegen komt de wereld binnen het kader van de evolutietheorie over als onpersoonlijk, koud, onbarmhartig en bedreigend; religie doet tegenvallers, verlies van dierbaren of problemen met de gezondheid in een positiever licht staan, dan wanneer zij als het gevolg van puur toeval of pech worden beschouwd. Tevens kunnen gebed en meditatie positieve gevoelens oproepen van geborgenheid, vreugde en dankbaarheid, al zijn deze vruchten uiteraard niet te garanderen. Rituelen helpen om overgangsfasen in het leven, zoals huwelijk en dood, in een zinvol en betekenisvol perspectief te plaatsen. Waarden als liefde, vergevingsgezindheid en altruïsme zijn voor de christelijke religie een onvergelijkbaar sociaal kapitaal. Doordat deze factoren zich alleen bij intrinsieke religiositeit manifesteren, is de correlatie tussen kwaliteit van leven en religiositeit alleen significant aanwezig bij mensen met een intrinsieke religieuze motivatie. Bij een extrinsieke religiositeit is dat niet het geval. We mogen op grond hiervan concluderen dat intrinsieke religiositeit bijdraagt aan de kwaliteit van leven.

De geestelijk verzorger streeft ernaar de intrinsieke religiositeit van de mensen die zijn zorgen zijn toevertrouwd te versterken. In individuele gevallen is de vrucht van geestelijke begeleiding echter moeilijk te registreren en zeker niet te kwantificeren. Het mag echter niet zo zijn dat als gevolg van een doorgeschoten marktwerking in de wereld van de gezondheidszorg pastorale zorg veronachtzaamd wordt op zelfs zou verdwijnen. Het solidariteitsprincipe (Hoofdstuk I.2.2.5) heeft niet alleen medische en psychosociale implicaties, maar heeft ook betrekking op het spirituele welzijn. Volgens dit principe dient pastorale zorg voldoende voorhanden te zijn in de instellingen voor gezondheidszorg en moeten er ook financiële middelen en faciliteiten voor beschikbaar worden gesteld.

image_pdfimage_print