2.1.3 Heeft de mens beschikkingsrecht over eigen leven en dood?
De fundamentele vraag ten aanzien van euthanasie en (hulp bij) suïcide is of een mens het recht heeft over eigen leven en dood te beschikken en een arts kan machtigen zijn leven te beëindigen. Binnen de katholieke kerk bestaat er een oude traditie die de beëindiging van het eigen leven in strijd acht met de liefde tot God, tot de naaste, de gemeenschap of de mensheid en tot de mens zelf. Deze trits treft men aan in de verhandeling van Thomas van Aquino over suïcide, [: T. Aquinas. Summa Theologiae. Paris 1265, II, II, 64, 65.] de Verklaring over euthanasie van de Congregatie voor de Geloofsleer [: Sacra Congregatio pro Doctrina Fidei. Declaratio de euthanasia (5-5-1980). Acta Apostolicae Sedis, Rome 1980, 72, 542-552.] en de Catechismus van de Katholieke Kerk [: CKK. Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum; 2023, nr. 2280-2282.].
God is de soevereine Heer over het leven, de mens is slechts de rentmeester ervan. In Gen. 1,26-31 kent God aan de mens binnen het kader van zijn functie als rentmeester beschikkingsrecht over de aarde toe. De plantenwereld wordt hem als voedingsbron toegewezen. Hetzelfde gebeurt met betrekking tot de dierenwereld in Gen. 9,3: ‘Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; dat alles schenk ik u naast het groene gewas.’ De mens kan planten en dieren gebruiken en doden om aan onder meer voedsel, kleding en geneesmiddelen te komen. Dat wil overigens niet zeggen dat hij naar believen met hen kan omgaan. Hierbij moet hij het algemeen welzijn van de huidige en de toekomstige generaties in het oog houden en de integriteit van de schepping respecteren.
De mens krijgt echter ten aanzien van zichzelf en de medemens geen beschikkingsrecht over leven en dood:
‘Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen: van alle dieren zal ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen. Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want als zijn beeld heeft God de mens gemaakt’ (Gen. 9,5-6).
Hiervoor kan ook een intrinsieke onderbouwing worden gegeven. De hedendaagse seculiere bioethiek gaat wat betreft haar fundamentele mensvisie uit van de zogeheten Identity Theory of Mind: de eigenlijke mens wordt geïdentificeerd met wat voor hem als mens het meest specifiek is, namelijk zijn bewustzijn (zie Hoofdstuk I.1.2.1.). Dit is feitelijk een gecompliceerd elektrisch ontladingsproces in de hogere hersenkernen en de hersenschors. Het menselijk lichaam, dat praktisch identiek is aan dat van de zoogdieren en daarom niet specifiek voor de mens, wordt beschouwd als bijkomstig. In deze mensvisie, feitelijk een moderne versie van die van Descartes, staat het bewustzijn, de menselijke persoon als het subject, tegenover het lichaam als een object. Het lichaam dat niet wezenlijk tot de mens behoort, deelt niet in diens intrinsieke waarde. Het heeft daardoor slechts een extrinsieke waarde, namelijk de waarde die het bewustzijn eraan toekent. Volgens deze mensvisie heeft de mens beschikkingsrecht over zijn lichamelijk leven: wanneer het naar zijn oordeel aan waarde heeft ingeboet en een te grote last is om te dragen, kan hij er afstand van doen.
Het is echter de vraag of het lichaam inderdaad slechts een extrinsieke waarde vertegenwoordigt. Wij ervaren onszelf als een eenheid, niet als een tweeheid van ziel, geest of bewustzijn. Het bewustzijn is zonder het lichaam ondenkbaar. De inhoud ervan bestaat uit de zintuiglijke ervaringen van de omgeving en het eigen lichaam (zie Hoofdstuk I.1.2.3.).
De Heilige Schrift kent geen dualisme tussen de menselijke geest en het lichaam. De tendens van vooral scholastieke theologen om het naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zijn alleen te betrekken op de menselijke geest zou – ofschoon onbedoeld – een zeker dualisme kunnen suggereren. In Gen. 1,26-27 is echter bedoeld dat de mens in zijn totaliteit naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen. Zowel in zijn lichamelijk als zijn geestelijke dimensie weerspiegelt de mens het beeld van God. [: Sacrosanctum Oecumenicum Concilium Vaticanum II. Gaudium en spes, constitutio pastoralis de ecclesia in mundo huius temporis (7-12-1965). Acta Apostolicae Sedis 1966, 58, 1025-1120, nr. 12 & 14.] Het lichaam deelt dus in de waarde van de mens als geheel en is daarom een goed in zich. God Zelf en wat naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen is, is geen object met alleen een instrumentele waarde: ‘God geeft zichzelf te kennen als absolute Heer over het leven van de mens, die Hij naar zijn beeld en gelijkenis gevormd heeft (Gen. 1,26-28). Het menselijk leven is bijgevolg heilig en onschendbaar, als weerspiegeling van de onschendbaarheid van de Schepper zelf’ [: S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401-522, nr 23, 25, 853, 871.]. De mens heeft bijgevolg over eigen leven en dood geen beschikkingsrecht. Hooguit heeft hij volgens het therapeutische principe (zie Hoofdstuk I.2.2.3.) een beperkt therapeutisch beschikkingsrecht over delen van zijn lichaam: organen met tumoren kunnen bijvoorbeeld operatief worden verwijderd teneinde het leven te behouden.
In een tijd van radicaal individualisme is het moeilijk in te zien waarom mensen bij hun beslissing uit het leven te stappen met de gemeenschap rekening moeten houden. De kerngedachte is: zolang ik anderen geen aantoonbare schade berokken, heb ik het recht mijn leven in te richten, zoals ik dat wil. De samenleving figureert hierbij als een loutere belangengemeenschap: zonder haar kan het individu immers bepaalde goederen niet verwerven of realiseren. Naast het veiligstellen van deze belangen heeft de staat tot taak het individu te beschermen tegen andere individuen. De wetgeving werkt als een sociaal con¬tract, waarin is vastgelegd welk gedrag schadelijk en dus onethisch is. Binnen de discussie over de euthanasiewet wordt de vraag of de mens over eigen leven en dood mag beschikken praktisch niet meer aan de orde gesteld. Dit recht wordt eenvoudigweg verondersteld. De discussie over euthanasie is – zoals praktisch alle ethische discussies – van louter procedurele aard: hoe kan er zo zorgvuldig mogelijk voor worden gewaakt dat misbruik is uitgesloten.
Wanneer een arts euthanasie verricht op verzoek van de patiënt of assistentie verleent bij suïcide, dan zal dat in een aantal gevallen geen aantoonbare schade voor anderen opleveren. Wie de samenleving primair als functioneel ziet, dus als belangengemeenschap, kan zelfs op de gedachte komen dat verder leven ten koste gaat van de samenleving vanwege de uitgaven voor medische zorg en verpleging. Zo pleit Hardwig voor een plicht om te sterven, inclusief de plicht het leven te (laten) beëindigen, wanneer iemand voorziet dat de voortzetting van zijn of haar leven anderen te veel gaat kosten [: J. Hardwig. Is there a duty to die? Hastings Center Report 1997, 27, 34-42.].
Maar is de mens echt een ‘radicaal’ individu? Volgens de katholieke sociale leer is de mens van nature een sociaal wezen. Hij komt pas tot volle ontplooiing door met anderen een persoonlijke gemeenschap op te bouwen. Bepaalde geestelijke zaken, zoals geloof, levensbeschouwing, cultuur en liefde, ¬komen alleen in intermenselijke relaties en in gemeenschap tot hun recht. Verhoudingen tussen mensen zijn daarom niet louter functioneel, maar verworteld in het wezen van de mens. Hoewel de mens geen eigendom is van de gemeenschap, is hij er wel wezenlijk deel van. Zonder persoonlijke relaties met anderen komt het mens zijn niet tot ontplooiing. Mensen zijn dus in essentie op elkaar betrokken (zie het socialiteits- en het subsidiariteitsprincipe, Hoofdstuk I.2.2.5.).
Als iemand zijn leven beëindigt of laat beëindigen vanuit de gedachte zelfbeschikking over leven en dood te hebben, dan impliceert dat dat ook zijn medemensen dat beschikkingsrecht hebben. Een factor waar men zich terdege rekenschap van moet geven is dat voorbeeld doet volgen [: CKK. Catechismus van de Katholieke Kerk. Utrecht: Kok Boekencentrum; 2023, nr. 2282.]. Bekende gevallen van euthanasie en suïcide die door middel van de media bekendheid krijgen, hebben aan het positieve denken over levensbeëindiging duidelijk bijgedragen en velen, die aan een ongeneeslijke ziekte lijden, ertoe gebracht hun leven eveneens te laten beëindigen. De acceptatie van euthanasie en hulp bij suïcide zou het respect voor het menselijk leven kunnen uithollen. Gevreesd is wel dat het toelaten van euthanasie voor het vertrouwen in artsen nadelig zou kunnen zijn. Vanwege deze factoren is euthanasie een bedreiging voor het algemeen welzijn [: R.M. Gula. Euthanasia. Moral and pastoral perspectives. New York/Mahwah: Paulist Press; 1995.] [: M. Manning. Euthanasia and physician-assisted suicide. Killing or caring? , New York/Mahwah: Paulist Press; 1998.]. Het leven (laten) beëindigen impliceert tevens een verwijdering van de gemeenschap van de Kerk. Bij de ziekenzalving spoort de Kerk de zieke aan om zich vrijwillig bij het lijden en sterven van Christus aan te sluiten, en aldus het zijne tot het welzijn van het Godsvolk bij de dragen’ [: Sacrosanctum Oecumenicum Concilium Vaticanum II. Lumen gentium, constitutio dogmatica de ecclesia (21-11-1964). Acta Apostolicae Sedis 1965, 57, 5-75, nr. 11.].
Tenslotte gaat de zelfgekozen dood in tegen de liefde die een mens tegenover zichzelf verschuldigd is. De veronderstelling dat men over eigen leven en dood beschikken kan, berust in principe op de aanname dat het lichaam een extrinsiek goed is. Dit impliceert een miskenning van de intrinsieke waarde van het eigen lichaam. Voorts ontneemt men zich door de zelfgekozen dood van een fundamenteel goed. Het leven is immers het fundament voor alle andere waarden. De vrijheid mag dan terecht zijn gekwalificeerd als de hoogste menselijke waarde, zonder het leven kan niet zij niet worden gerealiseerd (zie het principe van vrijheid en verantwoordelijkheid, Hoofdstuk I.2.2.4.). De zelfgekozen dood wordt wel gezien als een vorm van ultieme zelfbeschikking, maar is zij feitelijk niet de vernietiging van de zelfbeschikking?
Om genoemde redenen vallen euthanasie en suïcide onder het vijfde gebod ‘Gij zult niet doden’ (Ex. 20, 13; Deut. 5,17; vgl. het principe dat directe levensbeëindiging bij onschuldige mensen moreel ongeoorloofd is, Hoofdstuk I.2.2.2.). Het leergezag van de Katholieke Kerk heeft daarom bij herhaling levensbeëindiging op verzoek voor ongeoorloofd verklaard. Euthanasie werd afgewezen door het Tweede Vaticaans Concilie samen met andere misdaden tegen het leven in de Pastorale Constitutie Gaudium et Spes [: Sacrosanctum Oecumenicum Concilium Vaticanum II. Gaudium en spes, constitutio pastoralis de ecclesia in mundo huius temporis (7-12-1965). Acta Apostolicae Sedis 1966, 58, 1025-1120, nr. 27.]. In 1980 heeft de Congregatie voor de Geloofsleer de onveranderde leer van de Kerk hierover opnieuw geformuleerd in de Verklaring over Euthanasie [: Sacra Congregatio pro Doctrina Fidei. Declaratio de euthanasia (5-5-1980). Acta Apostolicae Sedis, Rome 1980, 72, 542-552.]:
‘Het is daarom noodzakelijk nogmaals met kracht vast te stellen dat niets en niemand op enigerlei wijze kan rechtvaardigen dat een onschuldig menselijk wezen gedood wordt, of het nu een foetus of een embryo betreft, een kind of een volwassene, iemand die oud is, of iemand die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt of iemand die stervende is. Bovendien is het niemand toegestaan te vragen om deze handeling die de dood veroorzaakt, hetzij voor zichzelf, hetzij voor een andere persoon die aan zijn of haar zorg is toevertrouwd, evenmin kan hij of zij daarin expliciet of impliciet toestemmen, noch kan enig gezag een dergelijke daad op legitieme wijze opleggen of toestaan. Het is immers een schending van de goddelijke wet, een aanslag op de waardigheid van de menselijke persoon, een misdaad tegen het leven en een vergrijp tegen de mensheid.’
In de encycliek Evangelium Vitae heeft H. paus Johannes Paulus II dit opnieuw uitvoerig herhaald, waarbij onder euthanasie zowel levensbeëindiging op verzoek als zonder verzoek wordt verstaan[: S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401-522, nr. 65.]:
‘Na deze opmerkingen bevestig ik, in overeenstemming met het leergezag van mijn voorgangers en in gemeenschap met de bisschoppen van de katholieke kerk dat euthanasie een ernstige schending is van de Wet van God … Deze leer vindt haar grondslag in de natuurwet en in het geschreven Woord van God; ze werd doorgegeven door de overlevering van de Kerk en onderricht door het gewone en universele leergezag’.
Opvallend is dat H. Johannes Paulus II hier gekozen heeft voor een formulering die doet denken aan een dogmaverklaring. De intentie is om duidelijk te maken dat het hier gaat om een onveranderlijke leer. Met de verwijzing naar de (morele) natuurwet is hier bedoeld dat euthanasie tegen de wezensnatuur van de mens die inhoudt dat het lichaam – zoals boven gezegd – een intrinsieke waarde is, die niet tegen andere waarden kan worden afgewogen. Ook recenter hebben pausen en gezaghebbende instanties van de Rooms-katholieke kerk dit standpunt herhaald. [: Benedictus XVI. Address of His Holiness Benedict XVI to the participants in the congress organized by the Pontifical Academy for Life on the theme “Close by the incurable sick person and the dying: scientific and ethical aspects”. Cita del Vaticano 2008 ; Franciscus. Ad Praesidem Pontificiae Academiae pro Vita in occasione Conventus Regionalis Europaei « Associationis Mundialis Medicorum » de quaestionibus ad finem vitae pertinentibus (In Civitate Vaticana, 16-17 Novembris 2017). Acta Apostolicae Sedis 2017, 109, 1320-1323.] [: Franciscus. Message of His Holiness Pope Francis for the XXVIII World Day of the Sick (11 February 2020). Citta del Vaticano 2020.] [: Congregatio pro Doctrina Fidei. Samaritanus Bonus. Letter on the care of persons in the critical and terminal phases of life, 14-7-2020. Citta del Vaticano 2020.] [: Dicasterium pro Doctrina Fidei. Dignitas Infinita. Citta del Vaticano 2024, nr. 51, 52.] [: Franciscus. Message of His Holiness Pope Francis to the participants in the symposium “Towards a narrative of hope: an international interfaith symposium on palliative care” Cita del Vaticano 2024.]
Wat betreft de subjectieve verantwoordelijkheid van de patiënt moet natuurlijk rekening worden gehouden met zijn conditie: heeft hij in het volle bewustzijn van de ethische betekenis van de zelfgekozen dood en in volle vrijheid verzocht zijn leven te beëindigen? Het is duidelijk dat angst voor pijn, de aftakeling van het lichaam of andere complicaties en psychische spanningen de vrijheid en helderheid van denken aantasten. Dit zijn factoren die in de praktijk de persoonlijke schuld meestal verminderen. [: Bisschoppen van de R.K. Kerkprovincie in Nederland. Euthanasie en menselijke waardigheid. Kerkelijke documentatie 2002, 36, 3-117.] [: S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401-522, nr. 66.]

