Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk VI

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

VI.2.1 Euthanasie en hulp bij suïcide

J.A. Raymakers, W.J. Eijk, F.J. van Ittersum

2.1.4. Uitzichtloos en ondraaglijk lijden

De Nederlandse Wtl eist dat bij levensbeëindigend handelen op verzoek de patiënt zich in een uitzichtloze en ondraaglijke conditie bevindt. De term uitzichtloos wordt gezien als een objectieve factor: welke therapeutische mogelijkheden heeft de geneeskunde nog te bieden? Dit wordt hoofdzakelijk door artsen beoordeeld. Overigens kunnen artsen in concrete gevallen hieromtrent van mening verschillen. De ondraaglijkheid van het lijden is een subjectieve factor, die vooral door de patiënt wordt ingeschat. Lijden blijft uiteindelijk een subjectieve aangelegenheid [48F. Hamburg. Een computermodel voor het ondersteunen van euthanasiebeslissingen. MAKLU, Antwerpen/Apeldoorn: Leiden; 2005, PhD.]. Patiënten en artsen blijken het lijden op verschillende wijze in te schatten. Sommige patiënten kunnen het lijden tot een ongelooflijk niveau incasseren, andere zijn bij het minste of geringste uit het lood geslagen. De wijze waarop artsen tegen het lijden aankijken, hangt af van hun persoonlijkheid, hun ervaring en de mate waarin zij zelf in staat zijn om hun persoonlijk lijden in hun leven te integreren. Dit sluit uiteraard niet uit dat de arts zich een beeld kan vormen van de ernst van het lijden van de patiënt. Dit mag echter geen factor zijn in de afweging om het leven te beëindigen. Afgezien van het feit dat het leven een intrinsieke waarde is, gaat het hier om een irreversibele beslissing, die niet op basis van subjectieve afwegingen mag worden genomen.

De fysieke, psychische, sociale en spirituele kwaliteit van leven, accidenteel aan het leven zelf, beoordeeld in de genoemde objectieve en subjectieve factoren, wordt bekeken tegen de achtergrond van het therapeutische arsenaal dat beschikbaar is. Hoe minimaal deze accidentele kwaliteit van leven ook is, de patiënt blijft een levend mens aan wie we adequate zorg verschuldigd zijn. Het menselijk leven, als zodanig, als intrinsieke dimensie van de menselijke persoon zelf, blijft onaangetast. De waarde die het leven op zich vertegenwoordigt moet niet verward worden met de kwaliteit van het leven, die een accidentele dimensie is. Deze verwarring komt bijvoorbeeld voor in de discussie over “criteria van menswaardigheid”. Het idee dat een minimale kwaliteit van leven euthanasie of zelfdoding kan rechtvaardigen is gebaseerd op een verwarring tussen het leven op zich als een intrinsieke dimensie van de menselijke persoon en de kwaliteit van leven als een accidentele dimensie of, om het in alledaagse taal te formuleren, de kwaliteiten van de context waarin het leven plaatsvindt. Deze accidentele kwaliteiten kunnen worden afgewogen tegen andere factoren, zoals de toestand van de patiënt, de risico’s en de complicaties, en de kosten van de medische behandeling, maar het leven zelf, als intrinsieke waarde, kan niet worden afgewogen tegen deze factoren, zoals hierboven is uitgelegd [49W.J. Eijk. La persona umana e la legge naturale. In: Gerardi R, editor. La legge morale naturale Problemi e prospettive (=Dibattito per il millennio n 9), Rome: Lateran University Press; 2007, 113-137.] (Hoofdstuk VI.1.1.2).

Daarnaast wordt als argument voor de rechtvaardiging van levensbeëindiging aangehaald dat een te ernstig lijden de mens onwaardig is en dat indien men het lijden niet kan wegnemen, het moedwillig veroorzaken van de dood een juiste oplossing voor het probleem van het lijden is. De mens zou het recht hebben te voorkomen dat hij op ‘onwaardige’ wijze sterft. Wat onwaardig hier precies betekent wordt zelden nader gepreciseerd. Welke wijze van sterven is de mens onwaardig? De moeilijkheid is dat men hierbij uitgaat van een waardigheid die een volstrekt individueel karakter heeft. Het menselijk leven heeft echter een universele waardigheid, die voor alle mensen geldt, namelijk dat het een intrinsieke waarde vertegenwoordigt en geen louter instrumentele waarde die eventueel verloren kan gaan.

Er is een brede maatschappelijke acceptatie van het concept dat een ‘recht op sterven’ om een onwaardig geacht levenseinde te voorkomen. De publieke opinie, sterk beïnvloed door de media, vertegenwoordigt echter niet noodzakelijk de waarheid. Deze is niet te achterhalen met statistisch onderzoek. Het feit dat het menselijk leven een intrinsieke waarde is, betreft een onveranderlijke waarheid, onafhankelijk van de sociale, culturele en historische omstandigheden.

image_pdfimage_print