Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk VI

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2026

VI.2.1 Euthanasie en hulp bij suïcide

J.A. Raymakers, W.J. Eijk, F.J. van Ittersum

2.1.5. De rol van de arts bij euthanasie en hulp bij suïcide

Tot nu hebben we euthanasie en suïcide benaderd vanuit het perspectief van de zieke. Maar er is ook het perspectief van de arts.

Soms maakt men onderscheid met betrekking tot de rol de arts speelt bij euthanasie en die bij hulp bij suïcide. In het laatste geval zou de eigen keuze van de zieke beter tot uitdrukking komen, omdat hij het dodelijk middel zelf inneemt. Daardoor zou tevens de verantwoordelijkheid van de arts anders komen te liggen: hij verricht immers niet zelf de dodelijke handeling. In Zwitserland is euthanasie wel, maar hulp bij suïcide niet strafbaar gesteld, mits deze niet uit zelfzuchtige motieven is verleend: ‘Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord: Wer aus selbstsüchtigen Beweggründen jemanden zum Selbstmorde verleitet oder ihm dazu Hilfe leistet, wird, wenn der Selbstmord ausgeführt oder versucht wurde, mit Freiheitsstrafe bis zu fünf Jahren oder Geldstrafe bestraft (Schweizerisches Strafgesetzbuch, artikel 115). Er bestaat tussen beide echter geen essentieel verschil. Zowel bij euthanasie als bij hulp bij suïcide wordt de zieke verondersteld het initiatief te nemen tot de beëindiging van het leven. In het geval van euthanasie is de arts uitvoerder van het levensbeëindigend handelen. Gaat het om hulp bij suïcide, dan verleent de arts formele medewerking aan de beëindiging van het leven door het dodelijke middel opzettelijk daartoe ter beschikking te stellen. Medewerking heet formeel wanneer de medewerker instemt met de intentie van de hoofdpersoon. Formele medewerking aan een kwade handeling is sowieso ongeoorloofd (zie het principe van de medewerking aan het kwaad, Hoofdstuk I.2.2.6.3.). Wat betreft de verantwoordelijkheid van de arts is er daarom weinig verschil of hij formele medewerking verleent aan de beëindiging van het leven van de patiënt of er zelf de uitvoerder van is. Daardoor is zowel bij euthanasie als bij hulp bij suïcide de uitgangsvraag: heeft de mens het recht te beschikken over eigen leven en dood? Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de ethische beoordeling van de betrokkenheid van de arts bij levensbeëindigend handelen.

Voor veel artsen in Nederland en België gelden euthanasie en hulp bij suïcide als het sluitstuk van de gezondheidszorg. Als er geen mogelijkheden meer zijn om de aandoening te behandelen of de pijn te verlichten, dan komt levensbeëindiging als de enige uitweg in zicht. Artsen worden dikwijls door patiënten en hun familieleden onder druk gezet om euthanasie te verrichten of hulp bij suïcide te verlenen. Daarom zijn sommige artsen, die euthanasie en hulp bij suïcide in principe niet uitsluiten, ongelukkig met de Nederlandse euthanasiewet. Het komt voor dat patiënten op basis van deze wet euthanasie als een recht claimen. Tevens kunnen artsen die euthanasie weigeren, in conflict komen met collega’s die er anders over denken: ‘Wanneer je als huisarts niet meegaat met de trend tot levensbeëindigend handelen, loop je het risico om binnen de beroepsgroep als een lastige outsider te worden beschouwd’ [50I. Schretlen. Euthanasie kan voor mij geen optie zijn. NRC Handelsblad 2001.].

Tegenstanders van euthanasie stellen dat levensbeëindiging haaks staat op de essentie en de opdracht van de geneeskunde, namelijk genezen of als dat niet mogelijk is symptomen naar vermogen te verlichten. Sinds de renaissance is in dit verband vaak gewezen op de hippocratische traditie die euthanasie uitsluit. Met een woordspeling op een opmerking uit het eerste boek Empidèmioon van het Corpus Hippocraticum formuleert Baptista Codronchi (arts te Imola, 1547-1628) als adagium: ‘scientia enim sanandi, non interimendi est medicina,’ dat wil zeggen de geneeskunde is een wetenschap die dient om te genezen, niet om te doden [51B. Codroncus. De christiana ac tuta medendi ratione. Bononiae: Typis Clementis Ferronii; 1591, liber I, caput XXIII, 76.][52W.J. Eijk. De zelfgekozen dood naar aanleiding van een dodelijke en ongeneeslijke ziekte. Een medisch-historisch en medisch-ethisch onderzoek ten behoeve van een Rooms-Katholiek standpunt inzake euthanasie. Academisch proefschrift. Brugge: Tabor / Rijksuniversiteit Leiden; 1987, 1-374, p. 141.]. Ook worden artsen wel herinnerd aan de Eed van Hippocrates, omdat zij de volgende clausule omvat: ‘En ik zal niemand desgevraagd een dodelijk middel geven, noch een advies in die richting’ (zie Aanhangsel 1.). De eed was echter in de oudheid onder artsen praktisch onbekend. De tegenwoordig gangbare versies van de artseneed bevatten genoemde clausule niet.

Als de zieke zelf geen recht heeft om over eigen leven en dood te beschikken, dan kan hij de arts niet machtigen zijn leven te beëindigen en heeft de arts niet het recht een verzoek daartoe in te willigen. Daarom kan levensbeëindigend handelen:

‘nooit beschouwd worden als medische hulpverlening, zelfs wanneer men geen andere bedoeling heeft dan aan de vraag van een patiënt tegemoet te komen: integendeel, het is juist de negatie van de gezondheidsberoepen, die immers als een hartstochtelijk en onverzettelijk ‘ja’ tegen het leven omschreven worden’ [53S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401-522, nr. 89.].

Euthanasie is wel voorgesteld als een daad van barmhartigheid. Vandaar de Engelse uitdrukking ‘mercy killing’. Echt medelijden leidt echter niet tot euthanasie, aldus Evangelium Vitae:

‘door echte ‘compassie’ wordt men solidair met andermans lijden, zonder dat dit leidt tot het doden van degene wiens lijden men niet kan verdragen. Het ontaarde karakter van euthanasie blijkt des te meer, wanneer ze verricht wordt door hen die … vanwege hun beroep, zoals geneesheren, de zieke, ook in de meest moeizame omstandigheden van hun levenseinde, juist zouden moeten verzorgen’ [54S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Evangelium Vitae (25-3-1995). Acta Apostolicae Sedis 1995, 27, 401-522, nr. 66.].

Euthanasie kan geen daad van liefde worden genoemd. Immers als men uit liefde tot een persoon handelt dan ‘wil men hem een goed:’ ‘amare est velle alicui bonum’ [55T. Aquinas. Summa Theologiae. Paris 1265, I, II, 26, 24c.]. Men wil handelen met het oog op zijn wezenlijke belang, zijn finaliteit en zijn eindbestemming. Dit kan niet door een handeling te stellen waarin de intrinsieke waarde van zijn lichamelijk leven wordt ontkend.

Bijzondere situaties doen zich voor wanneer de arts de patiënt wegens dementie, coma of een persisterende vegetatieve staat niet naar diens actuele wil kan vragen, maar wordt geconfronteerd met diens wilsbeschikking, opgesteld toen hij nog wilsbekwaam was, dat bij hem onder bepaalde omstandigheden het leven wordt beëindigd. Een vooraf genomen besluit van de patiënt wordt zoals beschreven als een wilsuiting beschouwd die in dergelijke gevallen euthanasie zou rechtvaardigen. Al kunnen voorbeelden slechts als illustratie dienen, er zijn gevallen van personen die desgevraagd terugkwamen op een vroeger genomen besluit om in uitzichtloze situaties, waarin zij hun wil niet zouden kunnen uiten, euthanasie te verlangen, en dat gebeurde juist in het zicht van een dergelijke situatie zoals opname van een beginnend dementerende in een verpleeghuis.

Deze gevallen leken aanvankelijk een inconsequentie in de Nederlandse wetgeving aan het licht te brengen. De WtL (artikel 2,2) en inmiddels ontstane jurisprudentie staan euthanasie bij demente personen toe op grond van een tevoren in wilsbekwame toestand schriftelijk vastgelegd besluit. [56Hoge Raad. Koffie-euthanasie – ECLI:NL:HR:2020:712. Den Haag 2020, 1-28.] De discrepantie die dat in de ogen van vele artsen opleverde met de Wet op de Geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), namelijk met de plicht om voor elke behandeling toestemming en instemming te vragen aan de patiënt, is volgens de Hoge Raad een te stringente interpretatie van de WGBO. (zie Hoofdstuk VI.3.2.3). Aanvankelijk vond euthanasie om deze reden niet vaak plaats vindt demente personen [57B.D. Onwuteaka-Philipsen, J.K.M. Gevers, A. van der Heide, J.J.M. van Delden, H.R.W. Pasman, J.A.C. Rietjens, M.L. Rurup, H.M. Buiting, J.E. Hanssen-de Wolf, A.G.J.M. Janssen and P.J. van der Maas. Evaluatie Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl). Den Haag: ZonMW; 2007, p 100-102.]. Inmiddels wordt euthanasie ook in dergelijke situaties toegepast. [58Regionale Toetsingscommissies Euthanasie. Jaarverslag 2023. 2024 ; Regionale Toetsingscommissies Euthanasie. Jaarverslag 2024. 2025.]

Nu de mogelijkheid van levensbeëindigend handelen eenmaal door de wet gesanctioneerd is, bestaat het risico dat de drijfveer voor de zieke om het lijden te dragen en voor de behandelaars om al het mogelijke te doen om het te verzachten minder sterk wordt. Het maakt tevens de persoonlijke verantwoordelijkheid van de arts die met het verzoek wordt geconfronteerd, groter: hij wordt niet meer gesteund door wetten die tot doel hebben het respect voor de intrinsieke waarde van het leven te helpen garanderen.

image_pdfimage_print