2.2.1. Levensbeëindiging bij pasgeborenen
Een bijzondere categorie betreft het levensbeëindigend handelen bij ernstig gehandicapte pasgeborenen, waarvoor in Nederland een wettelijke regeling is getroffen [: E. Verhagen and P.J. Sauer. The Groningen protocol–euthanasia in severely ill newborns. N Engl J Med 2005, 352, 959–62 doi:10.1056/NEJMp058026.] [: C. Ross-van Dorp and J.P.H. Donner. Brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie: Levensbeëindiging bij pasgeborenen (30 300 XVI, nr. 90). Tweede Kamer der Staten Generaal, Den Haag 2005, Vergaderjaar 2005-2006, 1–8.] [: W.J. Eijk. Lebensbeendigung bei behinderten Neugeborenen. In: Reis H, editor. Päpstlicher Rat für die Familie, Lexikon Familie, Paderborn/München/Wien/Zürich,: Ferdinand Schöningh; 2007, 477–487.] [: W.J. Eijk. Il porre fine alla vita di neonati handicappati. Dal Protocollo di Groningen al regolamento nazionale olandese. Medicina e Morale 2007, 57, 1165–1185.].
De Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend handelen van de Koninklijke Neder-landsche Maatschap¬pij tot bevordering der Geneeskunst achtte in 1990 de levensbeëindiging van ‘defecte’ pasgeborenen onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar, als medische behandelingen niet effectief zou zijn [: Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend handelen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Discussienota inzake levensbeëindigend handelen bij wilsonbekwame patiënten. Deel I: Zwaar-defecte pasgeborenen. Utrecht 1990.]. Een doorbraak werd geforceerd door de zaak-Prins: in 1993 diende een gynaecoloog in overleg met de ouders een dodelijke injectie toe aan een drie dagen oud meisje met een hydrocefalie, een spina bifida over een grote lengte en een ruggenmergslaesie. Het behandelend medisch team was van mening dat zij continu leed aan pijn. Operatief ingrijpen zou haar leven hooguit met enkele weken verlengen en daarom zinloos zijn. De gynaecoloog meldde de levensbeëindiging van het meisje met als doel er een testcase van te maken. In november 1995 accepteerde het Gerechtshof van Amsterdam zijn beroep op noodtoestand en ontsloeg hem van verdere rechtsvervolging. De noodtoestand komt neer op een conflict van plichten. Aan de ene kant heeft de arts de plicht het leven te beschermen zoals het Wetboek van Strafrecht aangeeft. Aan de andere kant stelt zich de plicht het lijden van de patiënt te verlichten. Deze plichten – zo wordt aangenomen – komen met elkaar in conflict als de gebruikelijke middelen om het lijden te verminderen zijn uitgeput en het lijden alleen door de beëindiging van het leven adequaat kan worden weggenomen. Als de conclusie is dat iemand handelde in een noodtoestand, dan wordt hij verondersteld een hoger rechtsbelang te hebben gediend en daardoor weliswaar formeel, maar niet materieel tegen de wet te hebben gehandeld. Een beroep op noodtoestand is een rechtvaardigingsgrond die leidt tot strafuitsluiting. De criteria voor het vonnis van het Gerechtshof van Amsterdam in de casus Prins waren dat het kind leed aan pijn die niet reageerde op medicatie en op betrekkelijke korte termijn kon sterven, de zorgvuldigheidvereisten door de gynaecoloog waren vervuld, diens handelen overeenstemde met de in Nederland gangbare medisch-ethische inzichten en dat de wens van de ouders dat het leven van het kind werd beëindigd, expliciet en herhaaldelijk werd geuit en consistent was (Gerechtshof Amsterdam, 7 november 1995). Een tweede zaak betrof die van een huisarts (Kadijk) die het leven van een pasgeborene beëindigd had dat leed aan trisomie 13 (het syndroom van Patau, een zeldzame chromosomale afwijking die vóór het derde levensjaar tot de dood leidt). Ook hier was de conclusie dat de betrokken arts handelde in een noodtoestand, omdat het kind zichtbaar ernstige pijn leed en een ontluisterende dood dreigde. [: Gerechtshof Leeuwarden. Casus Kadijk, 4 april 1996. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1996, 20, 284–291.].
Uit het rapport Doen of laten? van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde uit 1992 bleek dat een deel van de kinderartsen opzettelijke levensbeëindiging bij pasgeborenen in een tweetal situaties aanvaardbaar achtte [: Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Doen of laten? Grenzen van het medische handelen in de neonatologie. Utrecht 1992.].
- In de eerste situatie gaat het om een pasgeborene die door levensverlengend medisch handelen is ‘gered’, maar waarbij de levensverlenging niet in het belang van het kind blijkt te zijn.
- De tweede situatie betreft die van een pasgeborene bij wie van medische behandeling is afgezien in verband met de geringe leefbaarheid van het latere leven en die niet op afzienbare termijn zal overlijden.
In beide gevallen zou actieve levensbeëindiging in aanmerking komen, omdat de arts door zijn medisch ingrijpen de oorzaak is van de conditie waarin de pasgeborene verkeert. Omstreden onder de kinderartsen bleek echter actieve levensbeëindiging in een derde situatie, namelijk die van bij een pasgeborene bij wie levensverlengend medisch handelen niet aan de orde is, vanwege de mogelijkheid dat de leefbaarheid van het latere leven door afwijkingen zou worden bedreigd.

