Omdat de kwaliteit van leven van de patiënt in veel openbare discussies als het belangrijkste criterium voor de besluitvorming bij levensbeëindiging naar voren wordt gebracht, moeten daaraan nog enkele woorden worden gewijd. Eerder in dit hoofdstuk is er al in een meer fundamentele beschouwing over gesproken.
In de eerste plaats is kwaliteit van leven een slecht gedefinieerd begrip. Men duidt er in feite een aantal kwalificaties mee aan van de omstandigheden van het leven, in de betekenis van het welbevinden. Daarmee wordt de essentie, het zijn als persoon, niet geraakt. In de positivistische wetenschapsopvatting van nu wordt het zinvol geacht de kwaliteit van leven te meten, dus die te vergelijken met een maat en het liefst zou men die dan als een numerieke grootheid weergeven (waarmee een analogie wordt geïntroduceerd). Dergelijke getallen, verzameld van een groep mensen kan men aan statistische analyse onderwerpen. Op grond daarvan kan men een verwachting formuleren over de lotgevallen van nieuwe patiënten in vergelijkbare situatie. Voor de weergave van de aard van de levensomstandigheden in een getal zijn er vele methoden, waarop we hier niet in zullen gaan. Kwaliteit van leven in deze zin wordt in de discussie over de besluitvorming over levensbeëindiging steeds als een argument en een criterium gebruikt. Daartoe is het echter ongeschikt. Zeker kan het behulpzaam zijn om de effectiviteit van behandelingsstrategieën te vergelijken. Het kan niet gebruikt worden bij een besluit tot levensbeëindiging, omdat het “niet mogen beëindigen van het leven” een absolute norm is (Hoofdstuk I.2.2.2).
De kwaliteit van leven, op deze wijze verstaan, wordt bovendien in de praktijk niet – en zeker niet in gekwantificeerde vorm – gehanteerd om een concreet besluit te nemen. De zorgvuldigheidseisen die de WtL stelt, noemen in dit opzicht slechts: ‘dat de arts de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt’. De term ‘kwaliteit van leven’ komt niet aan de orde en het criterium wordt teruggebracht tot een subjectief oordeel van de arts.
Daar komt bij dat in de concrete besluitvorming in de praktijk de toepassing van het criterium ‘kwaliteit van leven’ of een andere geobjectiveerde maat van de ernst van het lijden van de patiënt niet terug te vinden is zoals uit onderzoek van een groot aantal verslagen van euthanasiegevallen bleek[: F. Hamburg. Een computermodel voor het ondersteunen van euthanasiebeslissingen. MAKLU, Antwerpen/Apeldoorn: Leiden; 2005, PhD.]. Men moet tot de conclusie komen dat voorstanders van euthanasie een wetenschappelijk en wijsgerig onvoldoende onderbouwd concept ‘kwaliteit van leven’ gebruiken om besluitvorming over levensbeëindiging te rechtvaardigen. Het concept is daartoe niet geëigend en kan dus die functie niet vervullen.
Kwaliteit van leven als maat voor het welbevinden van zieken kan bijvoorbeeld in het kader van besluitvorming over keuze tussen belastende behandelingen zeker een bruikbaar hulpmiddel zijn. Levensbeëindiging is geen behandeling in de zin zoals de arts door de eeuwen heen de geneeskunst verstaan heeft. Kwaliteit van leven speelt daarbij geen rol.
Conclusie
De zorg aan het einde van het leven behoort evenzeer als in andere levensfasen in overeenstemming te zijn met de eerbied voor de mens als persoon en schepsel Gods. De gedachte dat een zieke beter af zou kunnen zijn door hem het leven te ontnemen is voor de christen niet acceptabel. De kwaliteit van leven is geen middel of argument om actieve levensbeëindiging te rechtvaardigen. Tot het moment van de natuurlijke dood dient de zorg gericht te zijn op het ondersteunen van de zieke in zijn moeilijkheden en de voorbereiding van zijn ontmoeting met zijn Schepper. Euthanasie is daarom verwerpelijk en een ernstig kwaad. Dat is nog ernstiger wanneer euthanasie wordt toegepast op mensen die niet in staat zijn hun wil te uiten en zonder verweer zijn.
Zo kan men stellen dat het toelaten van euthanasie ons ze maatschappij op een hellend vlak plaatst en wel op drievoudige wijze: de verandering van de paradigma’s (een mens doden is onder nader te omschrijven voorwaarden acceptabel), een verschuiving in de opvatting over de persoonlijke vrijheid (ook zonder verzoek kan euthanasie plaatsvinden) en een verschuiving in de indicaties (van ondraaglijk lijden nu tot lijden dat mogelijk te wachten staat) [: T.A. Boer. After the slippery slope: Dutch experiences on regulating active euthanasia. J Soc Christ Ethics 2003, 23, 225–42.]
Sedatie omwille van de bestrijding van onbehandelbare klachten kan een noodzakelijke ingreep zijn, die geoorloofd is maar met zorg toegepast moet worden. Zeker moet aan de zieke tevoren de gelegenheid zijn gegeven zijn sociale en godsdienstige plichten te vervullen. Altijd moet ervoor gewaakt worden dat de juiste houding tegenover de zieke en diens waardigheid als mens in acht wordt genomen. De toediening van vocht tijdens de sedatie kan slechts achterwege blijven als het overlijden op zeer korte termijn (enkele dagen) te verwachten is, tenzij de toediening van vocht een te grote belasting is voor de patiënt.

