Handboek Katholieke Medische Ethiek - Hoofdstuk I

on-line editie vanaf 2019 onder redactie van dr. W.J. kardinaal Eijk, dr. L.J.M. Hendriks en prof.dr. F.J. van Ittersum

Ⓒ Katholieke Stichting Medische Ethiek 2019 - 2025

I.2. Van mensbeeld naar waarden en normen: de principes van de medische ethiek

W.J. Eijk

Inleiding

Hoe kunnen we nu uitgaand van de beschreven mensbeelden komen tot de formulering van waarden en normen? Bij de bespreking van de Identity Theory of Mind en het katholieke mensbeeld kwam al de vraag ter sprake in hoeverre we beschikkingsrecht hebben over het menselijke lichaam. Voordat we op basis van dit inzicht waarden en normen kunnen formuleren die voor de medische ethiek fundamenteel zijn, is het nodig nader stil te staan bij de betekenis van de begrippen ‘recht’ en ‘beschikking’.

Volgens het Romeinse Recht en de traditie die zich daaruit tot en met de Middeleeuwen ontwikkelde, betekent recht primair ‘dat wat rechtvaardig is’ [1T. Aquinas. Summa Theologiae. Paris 1265, II, II, 57,1.]. Bij het begin van de Moderne Tijd treedt onmiskenbaar een verschuiving op. De Spaanse Jezuiet Francesco Suarez (1548-1617) noemt als eerste betekenis van recht een soort bevoegdheid die ieder mens heeft, ofwel over wat hij bezit, ofwel over wat hem toekomt. De nadruk komt daardoor te liggen op de houder van het recht en daarmee op het subjectieve recht in de zin van een bescherming van zijn bevoegdheid of zijn vrijheid om iets te doen of de bescherming van zijn zeggenschap over zichzelf of iemand anders. De inhoud van het recht, namelijk of wat iemand kan doen op zichzelf juist of goed is, raakt op de achtergrond. Via filosofen als Hugo de Groot (1583-1645), Locke (1632-1704) en Pufendorf (1632-1694) heeft Suarez een aanzet gegeven tot wat tegenwoordig bekend staat als de ‘choice theory of rights’ [2J. Finnis. Natural law and natural rights (Clarendon Law Series). Oxford: Clarendon Press; 1988, p. 205–210.]. Volgens deze theorie is recht vooral een bevoegdheid die de houder van een recht heeft, in plaats van dat wat goed of rechtvaardig is (vgl. wat Veritatis splendor nr. 23 zegt over de cultuur van het hebben tegenover die van het zijn) [3S. Ioannes Paulus II. Litterae Encyclicae Veritatis Splendor (6-8-1993). Acta Apostolicae Sedis, Rome 1993, 85, 1133–1228, no. 23.]. Zoals we nog zullen zien (zie 2.1. van dit hoofdstuk) legt de autonome ethiek zeer eenzijdig de nadruk op het subjectieve recht van het individu om autonome beslissingen te nemen, zonder rekening te houden met de vraag of iets objectief goed is of niet. Het recht van de vrouw om te kiezen voor een abortus provocatus, door een meerderheid in de westerse samenleving gezien als een fundamenteel recht, heeft betrekking op de bevoegdheid van de vrouw om desgewenst te kiezen voor de beëindiging van het leven van het ongeboren kind, terwijl diens objectieve recht op leven weinig tot geen aandacht krijgt. Door het eenzijdig benadrukken van de vrijheid van de houder van het recht komen rechten diametraal tegenover wetten en plichten te staan, terwijl de traditie aannam dat er tussen beide begrippen een onlosmakelijke band bestaat. Feitelijk wordt de vrijheid om iets te doen losgemaakt van de waarheid.

Het recht van een menselijk subject heeft echter altijd betrekking op een bepaald object, waarmee men rekening dient te houden. Het recht op vervroegde uittreding is van een andere orde dan het recht op leven. Maar in welk opzicht verschillen deze rechten? Verhelderend is de nadere relatie die de klassieke moraaltheologie onder gebruikmaking van een tevens onder juristen gangbare terminologie, heeft gelegd tussen enerzijds het subjectieve of actieve recht, opgevat als de competentie iets te eisen, en anderzijds het objectieve recht, dat wil zeggen dat wat men aan zichzelf of een medemens verschuldigd is. Naar de aard van de bevoegdheid die men ten aanzien van iets kan eisen kunnen subjectieve rechten worden onderverdeeld in eigendomsrecht, beschikkingsrecht en gebruiksrecht. De relatie tussen de verschillende subjectieve en objectieve rechten is nog steeds zeer geschikt om duidelijk te maken welk verband er bestaat tussen een subjectief recht en het object waarop het betrekking heeft [4B.H. Merkelbach. Summa theologiae moralis. Paris: Desclée de Brouwer; 1932, vol 2, 166–170.] [5D.M. Prümmer. Manuale theologiae moralis. Freiburg im Breisgau: Herder; 1935, vol 2, nrs. 6–12, I.] [6J. Aertnys, C. Damen and J. Visser. Theologiae moralis. XVII ed. ed, Turijn: Marietti; 1956, vol 1, nr. 651.].

Wie alleen het gebruiksrecht heeft bijvoorbeeld van een huis dat hij heeft gehuurd, kan het bewonen en wanneer hij recht op vruchtgebruik heeft, het gebruiken voor zijn onderneming, als was hij de eigenaar, maar kan het niet verbouwen zonder diens toestemming. De eigenaar houdt het eigendomsrecht inclusief het beschikkingsrecht. Het recht volledig over iets te beschikken houdt in dat de mens het betreffende object kan gebruiken als middel voor een zelfgekozen doel: hij mag het verkopen, weggeven, veranderen, vernietigen of vervangen. Wie over iets het beschikkingsrecht heeft, kan – met andere woorden – zelf de finaliteit of de teleologische waarde ervan bepalen (telos is het Griekse woord voor doel).

Genoemde voorbeelden zijn uiteindelijk tot twee fundamentele vragen te herleiden: welke is de hiërarchie tussen de verschillende waarden die in het geding zijn (pensioen, bezit, leven), en in hoeverre moet de daaraan inherente finaliteit gerespecteerd worden?

Er is geen discussie over de vraag of iemand mag beschikken over zijn pensioen of het huis dat hij bezit, vooropgesteld dat hij anderen en het algemeen welzijn geen schade berokkent. Hij heeft een ruim, zij het uiteraard niet onbeperkt recht om zijn inkomen of zijn eigen huis voor een zelfgekozen doel te bestemmen. De fundamentele vraag in de medische ethiek en de bio-ethiek is: hoe ruim is het beschikkingsrecht van de mens ten aanzien van zijn lichamelijk leven, zijn biologische natuur.

image_pdfimage_print