Inleiding
In het vorige gedeelte van dit hoofdstuk zijn de waarden, principes en normen besproken die richtinggevend zijn voor het handelen van medewerkers in de gezondheidszorg. Voor het vruchtbaar werkzaam zijn in de zorg is het respecteren van genoemde waarden en normen noodzakelijk, maar daarmee is het beeld van de medische ethiek nog niet compleet. Het zou ondoenlijk om zich bij elke handeling en elke beslissing afzonderlijk te moeten afvragen hoe waarden en normen toepassing vinden. De werker in de gezondheidzorg dient een innerlijke houding te ontwikkelen, waardoor hij gepredisponeerd is om ze spontaan toe te passen op zijn werkzaamheden. In de praktijk gebeurt wanneer medewerkers in de gezondheidszorg waarden en normen trouw toepassen. Dit constant doen leidt tot het ontstaan van de verworven of natuurlijke deugden, innerlijke houdingen, die de mens zich op eigen kracht verwerft en die hen predisponeren tot het handelen in overeenstemming met waarden en normen. Het trouw in praktijk brengen hiervan draagt bij aan de vorming van het morele karakter van de menselijke persoon. Daarnaast wordt het morele karakter gevormd door deugden die God als een genadegave instort.
In het nu volgende gedeelte gaat het om de persoon en de innerlijke houding waarmee medewerkers in de gezondheidszorg de besproken principes zich eigen maken en bij herhaling toepassen in hun handelen.

